ECLI:NL:CRVB:2007:BC0005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- K. Zeilemaker
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant en [N.] ontvingen bijstand op grond van de Algemene bijstandswet en later de Wet werk en bijstand (WWB). Na onderzoek bleek dat appellant handelde in auto's en dat appellant en [N.] gedurende de bijstandsperiode samenwoonden op hetzelfde adres, wat duidt op een gezamenlijke huishouding. Het College van B&W Rotterdam had de bijstand opgeschort en later ingetrokken wegens vermeende inkomsten uit autohandel en schending van de inlichtingenplicht.
De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het College ten onrechte artikel 54, vierde lid, WWB als grondslag had gebruikt. De Raad oordeelde dat appellant en [N.] een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant niet als alleenstaande bijstandgerechtigde kon worden beschouwd. Appellant had dit niet gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
De Raad vernietigde het besluit van 9 februari 2006, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.