ECLI:NL:CRVB:2007:BC0172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering met in stand laten rechtsgevolgen
Appellant, voormalig barmedewerker, meldde zich ziek vanwege spanningsklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek concludeerde het UWV dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig achtte.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen, waaronder psychische klachten, gewrichtsklachten en allergieën, verder gingen dan aangenomen. Hij leverde een verklaring van zijn huisarts aan en stelde dat bepaalde functies niet passend waren vanwege zijn slaapproblematiek en allergieën. De Raad oordeelde echter dat de medische onderzoeken en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren en dat de bezwaren onvoldoende aanleiding boden voor een ander oordeel.
De Raad stelde vast dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen werden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.