ECLI:NL:CRVB:2007:BC0371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na geschil over niet-gemelde inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na onderzoek door een rapporteur werd vastgesteld dat appellant tussen 15 januari 1999 en 1 september 2002 werkzaamheden verrichtte bij een discotheek en inkomsten genoot die niet aan het UWV waren gemeld.
Het UWV besloot daarop de WAO-uitkering over die periode niet uit te keren. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij geen arbeid had verricht en geen inkomsten had genoten. Tijdens de procedure werden getuigen gehoord, waaronder de exploitant van de discotheek, die aanvankelijk verklaringen aflegden die appellant ontlastten, maar later deels tegenstrijdige verklaringen gaven.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de verklaringen tegenover de opsporingsambtenaar als betrouwbaar moesten worden beschouwd, tenzij aannemelijk werd gemaakt dat deze onder druk waren afgelegd, hetgeen niet het geval was. De Raad bevestigde dat het UWV terecht een schatting van de niet-gemelde inkomsten had gemaakt op basis van beschikbare gegevens en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat deze schatting onjuist was.
Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien om appellant te veroordelen in de proceskosten van het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat de WAO-uitkering over de betreffende periode niet wordt uitgekeerd wegens niet-gemelde inkomsten.