ECLI:NL:CRVB:2007:BC0880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulfraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid bij aanvang WAO-verzekering wegens Multiple Sclerose
Appellante trad op 1 maart 2003 in dienst bij het tuinbouwbedrijf van haar echtgenoot en viel op 5 mei 2003 uit wegens klachten zoals dubbel zien en evenwichtsstoornissen. Het Uwv besloot op 19 april 2004 de WAO-uitkering geheel en blijvend buiten beschouwing te laten, omdat de arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van de verzekering was ingetreden en de gezondheidstoestand bij aanvang dit kennelijk rechtvaardigde.
Na medisch onderzoek en het inwinnen van informatie bij huisarts en neuroloog bleek dat de klachten medio januari 2003 al aanwezig waren en dat op 1 maart 2003 de medische problematiek zodanig was dat appellante haar werk moeilijk kon verrichten. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat de klachten ernstig genoeg waren om binnen korte tijd uitval te verwachten, ondanks dat de diagnose Multiple Sclerose pas op 11 maart 2003 werd meegedeeld.
Arbeidskundig onderzoek toonde aan dat het werk staand en met goede coördinatie moest worden uitgevoerd, wat door de klachten problematisch was. De Raad oordeelde dat het Uwv terecht gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de aanspraken buiten beschouwing te laten en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de aanspraken op WAO terecht zijn afgewezen wegens verwachte arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar na aanvang van de verzekering.