ECLI:NL:CRVB:2007:BC1162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- K. Zeilemaker
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met pleegzoon
Appellante, geboren in 1927, ontving een AOW-uitkering volgens de norm voor ongehuwden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag haar uitkering per 1 mei 2000 naar de norm voor personen die een gezamenlijke huishouding voeren met een meerderjarige, vanwege haar samenwoning met haar pleegzoon.
Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met haar pleegzoon en dat het onderscheid tussen pleegkinderen en bloedverwanten in de eerste graad niet op objectieve gronden berust. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep.
De Raad stelde vast dat de pleegzoon in de relevante periode zijn hoofdverblijf had bij appellante, mede op basis van inschrijving op haar adres en gezamenlijke kostenbijdragen. Getuigenverklaringen die dit ontkenden werden niet geloofd vanwege gebrek aan objectief bewijs. De Raad bevestigde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de herziening van de AOW-uitkering terecht was.
De Raad verwierp het betoog over het onderscheid tussen pleegkinderen en bloedverwanten en bevestigde de eerdere jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met de pleegzoon wordt bevestigd.