ECLI:NL:CRVB:2007:BC1227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering ziekengeld en schatting WAO-uitkering
Appellant, werkzaam als projectleider, meldde zich ziek met klachten aan het rechterbeen en later ook schouder- en vermoeidheidsklachten. Na beëindiging van de wachttijd werd hem geen WAO-uitkering toegekend vanwege een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 15%. Diverse besluiten van het UWV tot weigering van ziekengeld en beëindiging van uitkeringen werden door appellant aangevochten.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit wegens ondeugdelijke motivering en kende een WAO-uitkering toe vanaf 2 april 2001 met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De andere beroepen werden ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigt de Raad het oordeel over het tweede besluit, maar vernietigt het derde besluit vanwege ontbrekende medische grondslag en beveelt een nieuwe beslissing.
De Raad oordeelt dat de medische gegevens onvoldoende bewijs leveren voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan door de rechtbank vastgesteld. Ook acht de Raad de schouder- en vermoeidheidsklachten niet voldoende onderbouwd om de eerdere besluiten te wijzigen. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Raad bevestigt het oordeel over het tweede besluit en vernietigt het derde besluit voor nieuwe beslissing.