ECLI:NL:CRVB:2007:BC1626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum bijstandsuitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van zijn bijstandsuitkering, die door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage was vastgesteld op 26 april 2005. Hij stelde dat hij recht had op bijstand vanaf een eerdere datum. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft het geschil beoordeeld aan de hand van de relevante bepalingen uit de Wet werk en bijstand (WWB), met name artikel 43 en Pro 44. Volgens vaste rechtspraak wordt bijstand toegekend vanaf de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Appellant kon niet aantonen dat hij vóór 26 april 2005 een aanvraag had ingediend of dat hij zodanige acties had ondernomen dat een eerdere aanvraag kon worden aangenomen.
Het gesprek van 2 augustus 2001 met de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten werd als informatief beschouwd en niet als een aanvraag. Ook de periode tussen de verblijfsvergunning van 6 januari 2005 en de aanvraag op 26 april 2005 was niet onderbouwd met bijzondere omstandigheden. Verder was niet vastgesteld dat appellant een reële schuld had bij Vluchtelingenwerk die de ingangsdatum zou kunnen beïnvloeden.
De Raad concludeerde dat het College de ingangsdatum van de bijstand correct had vastgesteld en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering blijft 26 april 2005; het hoger beroep wordt afgewezen.