AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijzondere bijstand voor medicijn Xenical en vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van het medicijn Xenical over de periode januari 2000 tot en met januari 2001. Het College van burgemeester en wethouders van Leeuwarden wees de aanvraag af omdat het verzoek niet vooraf was ingediend en omdat volgens medisch advies geen sprake was van een noodsituatie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en bepaalde dat het College een nieuw besluit moest nemen.
Bij het nieuwe besluit handhaafde het College de afwijzing, stellende dat passende voorzieningen via de AWBZ en Zfw aanwezig zijn en dat er geen zeer dringende redenen waren voor bijstand. De rechtbank vernietigde dit besluit opnieuw, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellante voerde aan dat er wel zeer dringende redenen waren en beriep zich op artikel 6 EVRMPro.
De Raad oordeelde dat het medicijn Xenical niet in acute geneeskunde wordt gebruikt en dat het niet gebruiken ervan niet leidt tot levensbedreiging of blijvend letsel. Het advies van de GGD was zorgvuldig en er waren geen medische stukken die dit tegenspraken. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand. Wel stelde de Raad vast dat de gemeente de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar had overschreden, waardoor appellante immateriële schade had geleden. De Raad veroordeelde de gemeente Leeuwarden tot een schadevergoeding van €500.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor Xenical wordt bevestigd, maar de gemeente Leeuwarden moet €500 schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
06/4285 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 juni 2006, 05/2220 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.D. Nicolai en P.C. Caron, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 29 maart 2001 op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het medicijn Xenical over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 januari 2001. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de GGD Fryslân (hierna: GGD) op 14 augustus 2001 een medisch advies uitgebracht. Bij besluit van 11 oktober 2001 is de aanvraag afgewezen op de grond dat een verzoek om bijzondere bijstand vooraf moet worden ingediend. Het tegen het besluit van 11 oktober 2001 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 7 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 september 2002, 02/164, heeft de rechtbank het door appellante ingesteld beroep tegen het besluit van 7 januari 2002 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 24 mei 2005, 02/5338, de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2002 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2002 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Raad dient te nemen.
Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2001 opnieuw ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Ziekenfondswet (Zfw) passende en toereikende voorzieningen zijn zodat er geen recht op bijstand bestaat. Evenmin is sprake van zeer dringende redenen waarbij het College heeft verwezen naar een nader advies van de GGD van 9 augustus 2005.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 oktober 2005 vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat artikel 17, tweede lid, van de Abw aan bijstandsverlening in de kosten van het medicijn Xenical in de weg staat nu dit medicijn niet voor vergoeding op grond van de Zfw en de AWBZ in aanmerking komt. De rechtbank acht voorts het standpunt van het College dat geen sprake is van zeer dringende redenen niet onjuist nu appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit zou blijken dat het advies van 9 augustus 2005 van de GGD onjuist is. Het -eerst namens appellante ter zitting- gedane beroep op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het daarmee gepaard gaande verzoek om een immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank in strijd met een goede procesorde geacht en om die reden onbesproken gelaten.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij erkent dat artikel 17, tweede lid, van de Abw aan bijstandsverlening in de kosten van het medicijn Xenical in de weg staat. Volgens haar is evenwel sprake van zeer dringende redenen zodat zij op grond van artikel 17, derde lid, van de Abw voor bijzondere bijstand in de onderhavige kosten in aanmerking komt. Verder heeft appellante het beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM gehandhaafd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 17, derde lid, van de Abw biedt de mogelijkheid om, in afwijking van de voorgaande leden, in de onderhavige kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij te worden gedacht aan noodsituaties.
In het advies van de GGD van 9 augustus 2005 is aangegeven dat het medicijn Xenical wordt voorgeschreven bij behandeling van ernstig overgewicht. Xenical wordt niet in de acute geneeskunde gebruikt. Het niet gebruiken van Xenical op korte termijn zal volgens de GGD daarom niet leiden tot een levensbedreigende situatie, een kans op blijvend letsel of invaliditeit, of een herhaalde psychiatrische opname.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het advies van 9 augustus 2005 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen nu voorafgaande aan dit advies, in aanvulling op het advies van de GGD van 14 augustus 2001 waarbij destijds een huisbezoek is afgelegd, dossieronderzoek en literatuuronderzoek is verricht. De omstandigheid dat appellante door het College niet in de gelegenheid is gesteld haar standpunt over het advies van 9 augustus 2005 kenbaar te maken en een contra-expertise uit te laten voeren leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellante heeft immers gedurende de (hoger) beroepsfase de gelegenheid gehad om haar standpunt tegen voormeld advies naar voren te brengen en om medische stukken in te brengen. De grief dat de GGD-arts ten opzichte van appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 7:457 vanPro het Burgerlijk Wetboek kan evenmin slagen aangezien deze bepaling primair ziet op de relatie tussen de arts en de patiënt in het kader van een overeenkomst inzake een geneeskundige behandeling, en niet de (wijze van) besluitvorming van het College raakt.
De Raad is voorts niet gebleken dat het advies van 9 augustus 2005 inhoudelijk niet juist is zodat, nu in het geval van appellante geen sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 17, derde lid, van de Abw, de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van het medicijn Xenical terecht is afgewezen.
De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Ten aanzien van de grief dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden overweegt de Raad dat het oordeel van de rechtbank dat deze grief wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten, geen zodanige werking heeft in de procedure in hoger beroep dat een inhoudelijke beoordeling van deze grief in hoger beroep niet meer mogelijk zou zijn.
Appellante heeft bij brief van 3 oktober 2001 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van haar aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van het medicijn Xenical. De Raad constateert dat vanaf de indiening van dit bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak ongeveer zes jaar en twee maanden zijn verstreken en is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273, van oordeel dat daardoor de in artikel 6 vanPro het EVRM bedoelde termijn is overschreden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure.
De Raad stelt voorts vast dat de grief van appellante over de lange duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan hierin. De totale duur van die procedure heeft vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot aan het nemen van het besluit op bezwaar van 7 januari 2002, en vanaf de datum van verzending van de uitspraak van de Raad van 25 mei 2005 tot aan het nemen van het besluit op bezwaar van 26 oktober 2005 ongeveer acht maanden geduurd. Hiermee heeft het College de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar overschreden waardoor appellante ervan af is gehouden om het in artikel 6 vanPro het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.
De Raad acht het aannemelijk dat appellante als gevolg van de lange duur een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om de gemeente Leeuwarden te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade. De Raad stelt de door de gemeente Leeuwarden te betalen schadevergoeding vast op een bedrag van € 500,--.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt de gemeente Leeuwarden tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 500,--.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007.