ECLI:NL:CRVB:2007:BC2675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4448 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak AOW wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een verzoek van de verzoeker om herziening van een uitspraak van de Raad van 23 juni 2006 inzake een geschil met de Sociale Verzekeringsbank over de AOW.

De verzoeker stelde dat de Raad in de eerdere uitspraak een onjuiste uitleg had gegeven aan een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 21 september 2000. Echter, de Raad benadrukte dat herziening alleen mogelijk is op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.

Omdat de verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, wees de Raad het verzoek om herziening af. Tevens wees de Raad het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag af, verwijzend naar het gemeenschapsrecht en eerdere jurisprudentie.

Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door voorzitter M.M. van der Kade en leden T.L. de Vries en H.J. Simon, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

06/4448 AOW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
Met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[Verzoeker],
om herziening van de uitspraak van de Raad van 23 juni 2006, 03/4137, (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 28 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad bevestigd de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2003, nr. 03/2096.
Namens verzoeker heeft W. Leufkens, de gemachtigde, bij verzoek van 28 juli 2006, verzocht om herziening van de aangevallen uitspraak en vergoeding van de proceskosten.
Door de Svb is bij brief van 14 augustus 2006 gereageerd, waarna namens verzoeker onder andere op 18 augustus 2006, 26 november 2006, 23 januari 2007, 27 augustus 2007 en 9 oktober 2007 een nadere toelichting is gegeven.
Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 november 2007. Partijen zijn daar, zoals zij tevoren hadden bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening in essentie ten gronde gelegd dat de Raad in de aangevallen uitspraak een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) van 21 september 2000, Borawitz, C-124/99.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN 7982, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb juncto artikel 21 van Pro de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat namens verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in genoemde bepalingen van de Awb naar voren is gebracht.
Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wijst de Raad af. Het gemeenschapsrecht gebiedt de nationale rechter niet om artikel 8:88 van Pro de Awb buiten toepassing te laten. De Raad wijst in dat verband op de uitspraak van het HvJ EG van 16 maart 2006, Rosemarie Kapferer, C-234/04.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) A.C. Palmboom.
EK