AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking gedeeltelijke ontheffing arbeidsinschakelingsverplichtingen op basis van medisch advies
Appellant ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was op basis van een GGD-advies gedeeltelijk ontheven van arbeidsinschakelingsverplichtingen. Het College van burgemeester en wethouders van Reeuwijk heeft echter op basis van medische adviezen van Argonout en Van Dreumel Depiro de ontheffing ingetrokken, omdat appellant geschikt werd geacht voor fulltime arbeid met lichte fysieke werkzaamheden.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en is in eerste aanleg in het ongelijk gesteld. In hoger beroep voert appellant aan dat de medische adviezen tegenstrijdig zijn en dat nieuw overlegde medische rapportages zwaardere beperkingen aantonen. De Raad stelt vast dat het College zich terecht heeft gebaseerd op de medische adviezen van Argonout en Van Dreumel Depiro en dat de aanvullende rapportages geen zwaardere beperkingen aantonen.
De Raad benadrukt dat het College op grond van artikel 9 vanPro de WWB slechts bij dringende redenen ontheffing kan verlenen en dat dergelijke dringende redenen niet zijn gebleken. Daarom is de intrekking van de ontheffing terecht en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de gedeeltelijke ontheffing van arbeidsinschakelingsverplichtingen wordt bevestigd.
Uitspraak
06/6897 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 oktober 2006, 05/8150 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Reeuwijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.S. ten Cate en B.H.M. Bruinsma, beiden werkzaam bij de gemeente Reeuwijk.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
Appellant was op grond van een advies van de GGD van 19 februari 2004 gedeeltelijk ontheven van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw)
Vervolgens heeft het College een medisch advies gevraagd aan Argonout en Van Dreumel Depiro omtrent de arbeidsmogelijkheden van appellant. Naar aanleiding van de door deze instelling verrichte onderzoeken, uitmondend in de adviezen van 5 april 2005 en 26 juli 2005, is appellant bij besluit van 27 april 2005, aangevuld op 5 augustus 2005, meegedeeld dat de hem verleende gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 9 vanPro de WWB, is komen te vervallen.
Bij besluit van 9 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 november 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voorzover van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB, voorzover van belang, kan het College, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.
Het College heeft zich bij de intrekking van de ontheffing van de arbeidsverplichtingen gebaseerd op de eerdergenoemde medische adviezen. Op grond van die adviezen wordt appellant, met inachtneming van de hierin aangegeven beperkingen, geschikt geacht voor full time arbeid in die zin dat het moet gaan om niet te zware fysieke werkzaamheden die appellant in rustig tempo kan verrichten met afwisselend staan, lopen en zitten.
Appellant kan zich hiermee niet verenigen en heeft in dit verband onder meer gewezen op het GGD advies van 19 februari 2004 en op de in hoger beroep overlegde rapportages van het Universitair Medisch Centrum van 22 november 2006 en 19 december 2006, de Andros Mannenkliniek van 9 oktober 2006, het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda van 14 september 2006 en van zijn huisarts van 17 juli 2006.
De Raad is van oordeel dat het College zijn besluitvorming op de adviezen van Argonout en Van Dreumel Depiro heeft mogen baseren. Niet is gebleken dat deze adviezen wat de wijze van totstandkoming of wat de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zouden zijn. De Raad vermag niet in te zien dat beide rapportages, zoals appellant stelt, met elkaar in strijd zijn. Verder ziet de Raad geen discrepantie met het GGD-advies van 19 februari 2004 nu daarin wordt aangegeven dat een uitbreiding van uren op termijn wellicht mogelijk is. Tenslotte neemt de Raad in aanmerking dat uit de nader door appellant ingebrachte medische rapportages niet blijkt dat appellant andere dan wel zwaardere beperkingen heeft dan de beperkingen waarvan in de adviezen is uitgegaan.
Bezien in het licht van de toepassing van artikel 9 vanPro de WWB dat - anders dan het voorheen geldende artikel 107 vanPro de Abw, op grond waarvan kon worden besloten onder meer om medische redenen ontheffing de arbeidsverplichtingen niet op te leggen - het College nog slechts in geval van dringende redenen de bevoegdheid geeft tot het verlenen van tijdelijke ontheffing, moet naar het oordeel van de Raad worden geconcludeerd dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van dergelijke dringende redenen niet is gebleken. Dit betekent dat het College niet bevoegd was de intrekking van de eerder verleende ontheffing achterwege te laten.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.