Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC1121

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/7142 WWB + 06/7143 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 3 WWBArt. 36 lid 6 WWBArt. 1 lid 1°-3° WidArt. 2 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag wegens ontbreken wettig identiteitsbewijs

De zaak betreft hoger beroep tegen de afwijzing van aanvragen voor langdurigheidstoeslag door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân. De aanvragen werden afgewezen omdat betrokkenen geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) hadden overgelegd. De rechtbank had de besluiten vernietigd omdat zij oordeelde dat artikel 17 lid 3 WWB Pro niet van toepassing zou zijn op de langdurigheidstoeslag.

De Centrale Raad van Beroep heroverwoog dit oordeel en stelde vast dat de langdurigheidstoeslag weliswaar niet gelijkgesteld kan worden met reguliere bijstand, maar dat artikel 17 lid 3 WWB Pro wel degelijk van toepassing is op de uitvoering van de WWB en daarmee ook op de langdurigheidstoeslag. De Raad benadrukte het dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling en concludeerde dat een rijbewijs niet voldoet als identiteitsbewijs in dit kader.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De aanvragen om langdurigheidstoeslag mochten op juiste gronden worden afgewezen of niet in behandeling worden genomen. De Raad wees tevens op het feit dat appellant aanvankelijk uit coulance het rijbewijs had geaccepteerd, maar daar later terecht op terugkwam, mede omdat betrokkenen was geïnformeerd over de vereiste identiteitsdocumenten.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 januari 2008.

Uitkomst: De aanvragen langdurigheidstoeslag zijn terecht afgewezen wegens het ontbreken van een wettig identiteitsbewijs conform artikel 17 lid 3 WWB.

Uitspraak

06/7142 WWB + 06/7143 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 november 2006, 06/315 en 06/1316 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkenen]
en
appellant
Datum uitspraak: 2 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.S. de Vries, werkzaam bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân. Voor betrokkenen is verschenen
mr. Doornbos.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 7 september 2005 heeft appellant de aanvraag om een langdurigheidstoeslag van 31 augustus 2005 afgewezen. Bij besluit van 6 maart 2006 heeft appellant de aanvraag om een langdurigheidstoeslag van 9 januari 2006 niet in behandeling genomen. Aan beide besluiten heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkenen geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet werk ten bijstand (WWB) hebben overgelegd.
De tegen de besluiten van 7 september 2005 en 6 maart 2006 gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van respectievelijk 10 januari 2006 en 29 mei 2006 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 10 januari 2006 en 29 mei 2006 - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de langdurigheidstoeslag in de zin van artikel 36 van Pro de WWB niet valt onder de werking van artikel 17, derde lid, van de WWB zodat de besluiten van 10 januari 2006 en 29 mei 2006 op een onjuiste wettelijke grondslag zijn gebaseerd.
In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 17, derde lid, van de WWB wordt bij de uitvoering van de WWB de identiteit van de belanghebbende vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 3 °, van de Wet op de identificatieplicht (Wid).
Op grond van artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 3 ° van de Wid worden de volgende documenten aangewezen als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld:
1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of tweede lid, van de Paspoortwet;
2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;
3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit.
In artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet worden als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen:
a. nationaal paspoort;
b. diplomatiek paspoort;
c. dienstpaspoort;
d. reisdocument voor vluchtelingen;
e. reisdocument voor vreemdelingen;
f. nooddocument;
g. andere reisdocumenten, door Onze Minister vast te stellen.
Vaststaat dat het door betrokkenen in het kader van de aanvragen om een langdurigheidstoeslag overgelegde rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een document, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de WWB, aan de hand waarvan de identiteit van de belanghebbende bij de uitvoering van de WWB dient te worden vastgesteld.
De hier voorliggende vraag, te weten of - ook - artikel 36 van Pro de WWB valt onder de reikwijdte in artikel 17, derde lid, van de WWB, beantwoordt de Raad op grond van het volgende, anders dan de rechtbank, bevestigend.
Vooropgesteld dient te worden dat de langdurigheidstoeslag weliswaar is geregeld in de WWB maar dat deze toeslag niet op één lijn is te stellen met eveneens in die wet geregelde bijstand. Om een aantal bepalingen betreffende de bijstandsverlening ook van betekenis te laten zijn voor de langdurigheidstoeslag, heeft de wetgever in het zesde lid van artikel 36 van Pro de WWB deze bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard. Nu artikel 17, derde lid, van de WWB niet in artikel 36, zesde lid, van de WWB is opgenomen, heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 17, derde lid, van de WWB niet van betekenis is voor de langdurigheidstoeslag.
De Raad is met appellant van oordeel dat uit de tekst van artikel 17, derde lid, van de WWB niet anders kan worden afgeleid dan dat bij de uitvoering van de WWB de identiteit van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van de in dit artikel voorgeschreven documenten. Nu de langdurigheidstoeslag wordt beheerst door de
WWB vermag de Raad niet in te zien dat de langdurigheidstoeslag niet valt onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, van de WWB zich niet mede uitstrekt tot de langdurigheidstoeslag. Met appellant is de Raad dan ook van oordeel dat, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 17, derde lid, van de WWB, deze bepaling in de weg staat aan het vaststellen van de identiteit van de aanvragen van langdurigheidstoeslag aan de hand van een rijbewijs. Dit betekent dat appellant op juiste gronden de aanvragen om een langdurigheidstoeslag heeft afgewezen respectievelijk niet heeft behandeld. Dat appellant aanvankelijk uit coulance wel genoegen heeft genomen met het door betrokkenen overgelegde rijbewijs, betekent niet dat hij daarop nadien niet terug mocht komen. Daarbij is van belang dat betrokkenen duidelijk te kennen is gegeven dat in het vervolg overlegging van een paspoort ter identificatie was vereist.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen de besluiten van 10 januari 2006 en 29 mei 2006 ongegrond verklaren.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en
J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.L. Rijnen.