ECLI:NL:CRVB:2008:BC1472
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 2000 in dienst van een werkgever en werd na bedrijfssluiting overgenomen door een andere werkgever met een nieuwe arbeidsovereenkomst. Door spanningsklachten meldde appellant zich ziek en vervulde hij zijn functie niet meer. Na een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd deze per 1 april 2006 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV blijvend geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf het initiatief had genomen tot ontbinding zonder dat voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gezondheidstoestand een redelijke voortzetting van het dienstverband onmogelijk maakte, maar erkent dat de werkgever mede debet was aan de verstoorde arbeidsverhouding. Hierdoor is sprake van verminderde verwijtbaarheid, zodat de volledige weigering van de uitkering onterecht is.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt dat het UWV opnieuw beslist met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot blijvende volledige weigering van de WW-uitkering en beveelt het UWV tot herbeoordeling.