ECLI:NL:CRVB:2008:BC1948

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-669 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:308 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering wettelijke rente wegens verjaring bij WAJONG-nabetaling

Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om wettelijke rente over een nabetaling van een WAJONG-uitkering niet toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant te laat een verzoek had ingediend, ruim na het verstrijken van de vijfjarige verjaringstermijn volgens artikel 3:308 BW Pro.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door zijn slechte geestelijke en lichamelijke gezondheid en verblijf in een gesloten TBS-kliniek niet eerder in staat was om het verzoek om rentevergoeding in te dienen. Het UWV handhaafde haar standpunt en de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank.

De Raad stelde vast dat het besluit tot toekenning van de WAJONG-uitkering met terugwerkende kracht in 1993 was genomen, waarna appellant vanaf dat moment om rentevergoeding had kunnen verzoeken. Omdat appellant pas in 2001 of 2002 een verzoek indiende, was de vordering verjaard. De door appellant aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen stuiting van de verjaring. De Raad zag geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens verjaring van het verzoek om wettelijke rentevergoeding.

Uitspraak

06/669 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 januari 2006, 05/975 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 mei 2005 (hierna: bestreden besluit), waarbij het besluit van 25 januari 2005 tot weigering van toekenning van wettelijke rente in verband met de nabetaling van de uitkering in het kader van de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (WAJONG) is gehandhaafd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat voldoende vaststaat dat appellant ruim na het verstrijken van de verjaringstermijn van 5 jaar, genoemd in artikel 308 van Pro boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft verzocht om toekenning van de wettelijke rente in verband met de nabetaalde uitkering.
In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden van zijn beroep bij de rechtbank, aangevoerd dat hij er niet eerder van op de hoogte was dat hij om vergoeding van rente kon verzoeken en het hem door zijn slechte geestelijke en lichamelijke gezondheid en het verblijf in de gesloten TBS-kliniek onmogelijk was om eerder een verzoek in te dienen bij het Uwv.
Het Uwv heeft bij verweerschrift het in eerste aanleg ingenomen standpunt gehandhaafd.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Uit de gedingstukken valt op te maken dat het besluit tot toekenning van een WAJONG-uitkering met terugwerkende kracht is genomen in april of mei 1993. Vanaf dat moment kon appellant om vergoeding van wettelijke rente vragen. Aangezien uit de gedingstukken niet valt op te maken dat appellant eerder heeft verzocht om vergoeding van de (wettelijke) rente in verband met de nabetaalde uitkering dan in 2001 of in 2002, is de vordering van appellant tot vergoeding van de (wettelijke) rente verjaard, gelet op het bepaalde in artikel 3:308 BW Pro. De door appellant aangevoerde omstandigheden vormen geen grond voor stuiting van de verjaringstermijn.
De rechtbank heeft terecht het beroep ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en
J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M. Lochs.
JL