ECLI:NL:CRVB:2008:BC2000
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als vervolgde en WUV-uitkering voor kind uit gemengd huwelijk
Appellant, geboren in 1942 uit een gemengd huwelijk met een joodse moeder, vroeg in 2006 een WUV-uitkering aan als vervolgde of als gelijkgesteld met de vervolgde. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging had ondergaan en de omstandigheden niet duidelijk ongunstiger waren dan die van andere kinderen uit gemengde huwelijken.
Appellant voerde in beroep aan dat het oorlogstrauma van zijn moeder ook hem psychisch had getroffen en dat daarom een medisch onderzoek had moeten plaatsvinden. De Raad overwoog dat vervolging volgens de Wet iedere handeling is die tijdens 1940-1945 door de vijandige bezetter gericht was tegen personen op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing en leidde tot vrijheidsberoving.
De Raad stelde vast dat kinderen uit gemengde huwelijken in beginsel geen vervolgingsmaatregelen te duchten hadden en dat appellant slechts enkele herinneringen had, zonder excessief geweld of directe vervolging. De Raad oordeelde dat de beslissing van verweerster om appellant niet als vervolgde te erkennen redelijk was en dat geen aanleiding bestond voor een medisch onderzoek.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de weigering van de WUV-uitkering voor appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering bevestigd.