ECLI:NL:CRVB:2008:BC2182

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6798 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.C.M. van Laar
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 9 december 2004 in te trekken. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens gebreken in het ondersteunend beoordelingssysteem, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. De verzekeringsarts stelde een depressief beeld deels in remissie vast, met verminderde psychische belastbaarheid en vermoeidheidsklachten, maar appellante leverde geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel zouden leiden. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de belastbaarheid van appellante toereikend was voor drie functies uit het CBBS.

De Raad oordeelt dat het bestreden besluit, ondanks eerdere onvolkomenheden, voldoende onderbouwd is in de hoger beroepsfase. De grieven van appellante met betrekking tot medisch rapportage en psychosociale aspecten worden verworpen. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

05/6798 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 oktober 2005, 05/1910 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2007. Namens appellante is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv is met kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 9 december 2004 ingetrokken. Bij besluit van 1 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 oktober 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met beslissingen over vergoeding van het griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, onder verwijzing naar rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts overwogen geen reden te zien om de conclusies van deze verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Deze zijn gebaseerd op dossierkennis, anamnese en medisch onderzoek. Daarbij is opgemerkt dat appellante in beroep geen nieuwe informatie van medische aard afkomstig van de behandelend sector heeft overgelegd die een ander licht zou werpen op haar gezondheidstoestand per 9 december 2004 en op de mogelijkheden die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft de rechtbank onder verwijzing naar rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige, samengevat, geoordeeld dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante met ingang van 9 december 2004 niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO. De rechtbank stelt vast dat aan het bestreden besluit gebreken kleven die voortvloeien uit onvolkomenheden van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als ondersteunend systeem. Nu de bezwaararbeidsdeskundige de schatting alsnog heeft voorzien van een voldoende deugdelijke toelichting, heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.
Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. De verzekeringsarts heeft als diagnose gesteld: depressief beeld deels in remissie. Bij de omschrijving van de belastbaarheid van appellante in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft de verzekeringsarts rekening gehouden met de nog verminderde psychische belastbaarheid en de vermoeidheidsklachten van appellante. Appellante heeft haar standpunt dat zij op de datum in geding meer beperkingen tot het verrichten van arbeid had dan het Uwv heeft aangenomen ook in hoger beroep niet onderbouwd met medische gegevens die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De Raad onderschrijft het commentaar van de bezwaarverzekeringsartsen in de rapporten van 12 juni 2006, 20 augustus 2007 en 15 november 2007. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapporten van 27 augustus 2007 en 24 september 2007 (met bijlagen) op verzoek van de Raad een nadere toelichting heeft gegeven betreffende verborgen beperkingen, overige signaleringen en eventuele niet-gematchte punten. Daarbij is de functie met sbc-code 272030 (meubelstoffeerder) komen te vervallen. De schatting berust aldus op de drie voor appellante uit het CBBS geselecteerde functies met sbc-codes 272043 (productiemedewerker textiel), 111160 (textielproductenmaker) en 111180 (productiemedewerker industrie). Mede gelet op de nadere motivering van de bezwaararbeidsdeskundige is de Raad van oordeel dat de met die functies verbonden belasting valt binnen de belastbaarheid van appellante. Bezien in het licht van de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, stelt de Raad vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven.
De grieven ter zake van de wijze waarop de rechterlijke macht met rapporten van medici en het Instituut Psychosofia dient om te gaan treffen evenmin doel. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 oktober 2007 (LJN: BB5548) wijst de Raad in dit verband naar zijn vaste jurisprudentie, neergelegd in een groot aantal uitspraken waarin de gemachtigde van appellante ook als gemachtigde heeft opgetreden en waarin de Raad zijn oordeel over de door de gemachtigde in die zaken ingediende grieven, die van gelijke strekking zijn als de in deze zaak ingediende grieven, heeft gegeven.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, zal bevestigen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
TM