ECLI:NL:CRVB:2008:BC2201
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige beoordeling
Appellante, een voormalige kraamverzorgster en bejaardenverzorgster, kreeg een WAO-uitkering toegekend na uitval wegens rug- en bekkenklachten. Het UWV trok haar uitkering in op basis van een arbeidsdeskundig rapport waarin werd geconcludeerd dat zij geschikt was voor andere functies met minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zij meer beperkingen had en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld.
De rechtbank vernietigde het arbeidskundige gedeelte van het besluit wegens onvoldoende transparantie en toetsbaarheid van de schatting, maar liet het overige besluit in stand. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek door de artsen zorgvuldig was en dat de beperkingen niet zijn onderschat. Wel is de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies onvoldoende, omdat deze pas in hoger beroep nader is toegelicht.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit vanwege de onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72 lid 3 Awb Pro. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.