ECLI:NL:CRVB:2008:BC2382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens onduidelijke woon- en leefsituatie
Appellant had vanaf 29 januari 2002 bijstand ontvangen, maar deze werd ingetrokken per 1 oktober 2004. Na een nieuwe aanvraag op 18 april 2005 gaf appellant aan te wonen op een bepaald adres. Het College weigerde de bijstand omdat bleek dat appellant niet feitelijk op dat adres verbleef. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde, onderbouwd met inschrijving in de GBA, formulieren en een huurcontract. De Raad oordeelde echter dat de woon- en leefsituatie van appellant onduidelijk bleef. Uit het huisbezoek bleek dat er geen persoonlijke bezittingen aanwezig waren en appellant gaf zelf aan geen vaste verblijfplaats te hebben.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting en bevestigde daarom de afwijzing van de bijstand. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over het feitelijke woonadres van appellant.