ECLI:NL:CRVB:2008:BC2456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens afwijkende winstverdeling tussen echtgenoten
Appellant ontving sinds 1996 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1995 exploiteerde hij samen met zijn echtgenote een minicamping en later een ambulante handel in restpartijen, ondergebracht in een vennootschap onder firma. Het UWV paste de uitkering over 2001 en 2002 aan op grond van artikel 44 WAO Pro, waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45 tot 55%, en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. De bezwaararbeidsdeskundige had het netto bedrijfsresultaat verdeeld op basis van door appellant en zijn echtgenote opgegeven gewerkte uren, waarbij een gelijke beloning werd aangenomen. Dit leidde tot een afwijking van de fiscale winstverdeling, waarbij meer dan 80% aan de echtgenote werd toegerekend.
Appellant voerde aan dat hij niet verplicht was de urenopgave te verstrekken en dat zijn arbeid minder waard was dan die van zijn echtgenote. De Raad verwierp deze grieven, oordeelde dat appellant op grond van artikel 80 WAO Pro verplicht was relevante feiten te melden en dat de werkzaamheden van beide echtgenoten vergelijkbaar en gelijkwaardig waren. De Raad zag geen reden om de terugvorderingsbesluiten onjuist te achten en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De terugvordering van de WAO-uitkeringen over 2001 en 2002 wordt bevestigd wegens een juiste aanpassing van de winstverdeling op basis van gewerkte uren en gelijke waardering.