ECLI:NL:CRVB:2008:BC3273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden in Frankrijk
Appellant kreeg vanaf 1 september 2003 een WW-uitkering toegekend wegens arbeidsverlies. Het UWV beëindigde deze uitkering per 13 juni 2005 vanwege werkhervatting als reisleider in Frankrijk, waarbij appellant geen uren meer als werkloos kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV terecht was uitgegaan van het vastgestelde gemiddeld aantal arbeidsuren en dat de WW-uitkering op grond van artikel 20 WW Pro was geëindigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV aanvankelijk een onjuiste grondslag hanteerde voor de beëindiging, omdat appellant door zijn werkzaamheden in Frankrijk geen werknemer meer was in de zin van de WW. De beëindiging moest worden gebaseerd op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, WW. Gelet op de omvang van de niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden is het recht op WW-uitkering geheel geëindigd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.