ECLI:NL:CRVB:2008:BC3297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.F. Bandringa
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid van functies bij WAO-uitkering
Appellante was sinds 5 juli 2001 werkzaam als medewerker kringloop kleding en viel op 9 april 2002 uit met psychische klachten. Vanaf 8 april 2003 kreeg zij een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok haar uitkering per 31 oktober 2004 in, omdat zij geschikt werd geacht voor lichte werkzaamheden, met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegenomen.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende arbeidskundige onderbouwing en bepaalde zelf de datum van intrekking op 20 juni 2005. In hoger beroep vorderde appellante een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% vanaf die datum. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de psychische beperkbaarheid juist was ingeschat. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde geen psychiatrisch beeld en beperkte psychische belastbaarheid.
De Raad stelde vast dat de arbeidskundige motivering van het besluit ontbrak bij het oorspronkelijke besluit van het UWV, maar dat deze in hoger beroep met een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige was aangevuld. De functies die als passend werden aangemerkt, lagen binnen het bereik van appellante. De mate van arbeidsongeschiktheid werd daarom terecht vastgesteld op minder dan 15% per 20 juni 2005.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, behalve voor de proceskosten en griffierecht, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan met ingang van 20 juni 2005 in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante wordt ingetrokken per 20 juni 2005 met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.