Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4086

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/3033 WW-E
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens onduidelijkheid over bestreden besluit WW-uitkering

Appellant had een loongerelateerde en vervolguitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend gekregen, welke later door het UWV werd ingetrokken vanwege het niet indienen van een werkbriefje. Appellant diende een bezwaarschrift in zonder duidelijk te maken tegen welk besluit dit bezwaar zich richtte. Het UWV verklaarde het bezwaar daarop niet-ontvankelijk. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant het verzuim niet kon rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af.

Tijdens de procedure waren partijen niet aanwezig bij de zitting. De Raad verwijst naar de eerdere uitspraak voor de feiten en omstandigheden en benadrukt dat appellant geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 januari 2008.

Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

06/3033 WW-E
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2006, 05/2926, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 januari 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 19 september 2006 heeft S. Schiff, wonende te Parijs (Fr.), zich als gemachtigde van appellant gesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 december 2007. Partijen zijn niet verschenen, met voorafgaand bericht door het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
2.1. Bij een herzieningsbesluit van 10 maart 2003 heeft het Uwv met ingang van 2 september 2002 aan appellant een loongerelateerde- en vervolguitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Deze beslissing is door het Uwv bij besluit van 17 februari 2004 ingetrokken en de uitkering is met ingang van 18 augustus 2003 niet meer betaalbaar gesteld, omdat appellant het werkbriefje over de periode vanaf 18 augustus 2003 niet heeft ingeleverd, waardoor niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2.2. Na eerder telefonisch overleg heeft appellant bij brief van 26 juni 2004 enige punten met betrekking tot zijn WW-uitkering bij het Uwv aan de orde gesteld, welke brief overeenkomstig eerdergenoemd overleg is aangemerkt als bezwaarschift. Op het verzoek van het Uwv om aan te geven tegen welk besluit het bezwaar zich richt, heeft appellant niet gereageerd. Bij besluit van 29 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet heeft aangegeven tegen welk besluit zijn bezwaar zich richt.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het oordeel van de rechtbank komt in essentie hierop neer dat appellant heeft verzuimd kenbaar te maken waartegen het bezwaar is gericht en dat appellant geen argumenten heeft aangevoerd die het door het Uwv geconstateerde verzuim rechtvaardigen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid, tot de zijne.
3.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat een herhaling van wat in eerste aanleg is betoogd en kan de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.R.S. Bacon.
BvW