Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4403

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/3719 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant maakte hiertegen verzet, stellende dat het verzuim niet aan hem kon worden toegerekend.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet beoordeeld en vastgesteld dat het griffierecht uiterlijk op 30 augustus 2007 betaald had moeten zijn. De betaling vond niet binnen deze termijn plaats. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het verzuim niet aan appellant toe te rekenen.

De Raad benadrukte dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

De uitspraak werd gedaan door rechter G.A.J. van den Hurk, met griffier W. Altenaar, op 5 februari 2008.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/3719 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 26 april 2007, 07/2739 en 07/1928 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 5 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 13 november 2007 heeft de Raad het namens appellant door mr. G.A. Nandoe Tewari, advocaat te ’s-Gravenhage ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft mr. Nandoe Tewarie verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Nandoe Tewarie. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 13 november 2007 berust hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 106,-- niet binnen de daardoor - laatstelijk - bij aangetekend verzonden brief van 2 augustus 2007 gestelde termijn van vier weken is voldaan en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
Gelet op de gedingstukken stelt de Raad vast dat de voor betaling van het griffierecht gestelde termijn in het geval van appellant eindigde op 30 augustus 2007 en dat het verschuldigde bedrag niet binnen die termijn is betaald.
De Raad heeft in het verzetschrift en de daarop bij brief van 28 november 2007 en ter zitting gegeven toelichting geen aanknopingspunten gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. De Raad verenigt zich met het standpunt ter zake van het College, neergelegd in zijn brief van
9 januari 2008, waarnaar hierbij wordt verwezen. Hij tekent daarbij nog aan dat de gemachtigde van appellante in de op 2 juli 2007 aan hem verzonden nota er reeds op is gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2008.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) W. Altenaar.
RB