Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Tilburg waarin haar bijstand over bepaalde perioden werd ingetrokken en teruggevorderd vanwege verblijf buiten Nederland en onjuist opgegeven woonadres. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de besluiten niet had ontvangen en dat de inhoudingen op haar bijstand niet correct waren uitgevoerd. De Raad oordeelde dat de besluiten niet aangetekend waren verzonden en dat het College het bewijs van verzending niet kon leveren. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de besluiten tijdig bekend waren gemaakt.
De Raad stelde vast dat het bezwaar prematuur was ingediend, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden omdat het besluit ten tijde van het bezwaar al bestond. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het College werd opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, met aandacht voor eventuele schadevergoeding en kosten van rechtsbijstand. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit niet-ontvankelijk te verklaren wordt vernietigd en het College wordt opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Uitspraak
07/3032 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 april 2007, 06/2673 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 12 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft het College geoordeeld dat appellante geen recht op bijstand heeft over de periode van 1 mei 1997 tot en met 28 juni 1997 en zijn de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 3.447,80 van haar teruggevorderd. Tevens is bij dat besluit de bijstand van appellante met ingang van 1 december 1997 gedurende een periode van drie maanden verlaagd met 9,6%. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan aan het College opgaaf te doen, van 1 mei 1997 tot en met 28 juni 1997 niet binnen Nederland verbleef.
Bij besluit van 25 februari 1998 heeft het College de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 5 november 1997 tot en met 31 december 1997 en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 4.350,53 van appellante teruggevorderd. Tevens heeft het College bij dat besluit appellante een boete opgelegd van f 675,--. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan aan het College opgaaf te doen, van 5 november 1997 tot en met 31 december 1997 niet woonachtig is geweest op het door haar opgegeven adres.
Bij brieven van 23 januari 2003 en 13 juli 2005 heeft het College de gemeente Eindhoven verzocht tot inhouding van het voor beslag vatbare gedeelte van de bijstand van appellante en daarbij verwezen naar (niet nader omschreven) besluiten van 7 februari 1995, 6 oktober 1997 en 25 februari 1998. Volgens de gemachtigde van het College zijn kopieën van de “voor gezien” van de gemeente Eindhoven retour ontvangen kennisgevingen per niet-aangetekende post verzonden aan appellante bij brieven van 20 februari 2003 en 19 september 2005.
Naar aanleiding van de brief van 19 september 2005 heeft mr. L.A.M. van Eeden, advocaat te Eindhoven, bij brief van 28 oktober 2005 het College het volgende verzocht:
“Mevrouw [naam appellante] bestrijdt enige betalingsverplichting en kon mij niet uitleggen waar deze vordering betrekking op heeft. In verband hiermee verzoek ik u mij alle op deze zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen, op basis waarvan ik de rechtmatigheid van uw vordering en het gelegde derdenbeslag kan beoordelen.
Voor zover rechtens aan de orde dient dit schrijven als bezwaarschrift gelezen te worden.”.
Bij brief van 2 november 2005 heeft het College - desverzocht - kopieën van de besluiten van 6 oktober 1997 en 25 februari 1998 aan de gemachtigde van appellante gezonden.
Bij brief van 16 december 2005 heeft de gemachtigde van appellante het College meegedeeld dat appellante niet bekend was met de besluiten van 6 oktober 1997 en 25 februari 1998, eerst nu bekend is geraakt met deze besluiten en de gronden van het bezwaar aangevuld.
Bij besluit van 30 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen beide primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard op grond van - kort gezegd - niet verschoonbare termijnoverschrijding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de besluiten van 6 oktober 1997 en 25 februari 1998 en de brief van 20 februari 2003 niet heeft ontvangen, dat de beslaglegging op de uitkering die zij van de gemeente Eindhoven ontving, feitelijk niet is geëffectueerd in verband met haar verhuizing in februari 2003 van Eindhoven naar Tilburg, dat zij er van uitging dat de op uitkeringsspecificaties vanaf maart 2003 niet nader gespecificeerde inhoudingen betrekking hadden op (terugbetaling van) aan haar verstrekte leenbijstand en eerst in november 2005, via haar gemachtigde, kennis heeft genomen van beide besluiten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan op de dag na die waarop het besluit is verzonden dan wel is uitgereikt.
Vaststaat dat de besluiten van 6 oktober 1997 en 25 februari 1998 niet-aangetekend zijn verzonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College desgevraagd meegedeeld dat geen bewijsstukken (meer) voorhanden zijn waaruit de verzending blijkt van de besluiten van 6 oktober 1997 en 25 februari 1998 en van de brief van 20 februari 2003.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk is verzonden voor rekening van de afzender. Nu dat risico zich in dit geval heeft verwezenlijkt, betekent dit dat niet is komen vast te staan dat genoemde besluiten op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt voorafgaand aan de ontvangst van de als inleidend bezwaarschrift aan te merken brief van 28 oktober 2005.
Nu er voorts van moet worden uitgegaan dat zodanige bekendmaking eerst heeft plaatsgevonden bij de hernieuwde toezending van de besluiten aan de gemachtigde van appellante bij brief van het College van 2 november 2005, moet tevens worden vastgesteld dat het bezwaar van appellante voor het begin van de termijn is ingediend in de zin van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb. Ten aanzien van een dergelijk prematuur bezwaar blijft volgens die bepaling niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien - onder meer - het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. De Raad stelt vast dat zodanige situatie zich hier voordoet.
De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 30 maart 2006 vernietigen en het College opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of, en zo ja in hoeverre, er termen zijn om schade te vergoeden. Voorts zal het College bij zijn nadere besluitvorming een beslissing dienen te nemen op het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand.
De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 30 maart 2006;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Tilburg aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2008.