ECLI:NL:CRVB:2008:BC4830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.F. Bandringa
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening maatmanuren in WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig financieel medewerker bij het Ministerie van Financiën, vroeg herziening van zijn WAO-uitkering gebaseerd op een maatman van 28 uren per week naar 40 uren per week, stellende dat hij sinds 1986 om medische redenen niet volledig kon werken. Het UWV wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.
Appellant voerde aan dat het rapport van het IMP uit 1979 en latere diagnoses van psychische stoornissen nieuw waren en dat de Raad een minder terughoudende toetsing moest toepassen vanwege de duuraanspraken. De Raad oordeelde echter dat het rapport van 1979 niet nieuw was voor de verzekeringsarts in 1998 en dat de latere psychiatrische rapporten slechts een nadere beoordeling van reeds bekende feiten bevatten.
De Raad benadrukte dat de jurisprudentie omtrent duuraanspraken niet onverkort van toepassing is op situaties waarin een WAO-uitkering reeds wordt genoten en een verzoek tot heroverweging van maatmanuren wordt gedaan. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden was het besluit van het UWV om het verzoek af te wijzen terecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het maatmaninkomen is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.