ECLI:NL:CRVB:2008:BC4940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving vanaf september 2001 bijstand naast haar ouderdomspensioen. In 2004 signaleerde het College via de Belastingdienst dat er sprake was van rentebijschrijving op een bankrekening gekoppeld aan appellante, waarvan het College niet op de hoogte was. Appellante verklaarde dat de rekening van haar broer was en dat zij geen bemoeienis had. De dochter van appellante verklaarde dat zij de afschriften opende en dat er met geld van haar vader werd gespeculeerd, en dat vakantiereizen voor appellante werden betaald.
Het College verzocht om bankafschriften vanaf 2001, maar na het niet tijdig overleggen hiervan trok het College de bijstand per augustus 2004 in en besloot tot terugvordering van de bijstandskosten over de periode september 2001 tot juli 2004. Appellante maakte bezwaar, maar leverde geen aanvullende gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover de terugvordering betrekking had op kosten van bijzondere bijstand van vóór deze periode.
De Raad bevestigt dat appellante als gemachtigde van de bankrekening kan worden aangemerkt en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over het tegoed kon beschikken. De Raad oordeelt dat het College terecht heeft besloten de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen over de juiste periode. Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand over de periode 1 september 2001 tot 31 juli 2004 wordt ongegrond verklaard.