ECLI:NL:CRVB:2008:BC4963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Betrokkene ontving sinds 20 september 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige gesprekken trok appellant de uitkering per 26 juni 2005 in. Betrokkene maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat de medische grondslag van het besluit toereikend was, maar dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van bepaalde belastingsaspecten van de geselecteerde functies. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit en bepaalde dat appellant een nieuw besluit moest nemen.
In hoger beroep stelde appellant dat het gebruikte CBBS-systeem voldoende transparant was en dat nadere motivering niet nodig was. Na aanvullende rapportage concludeerde de Raad dat de arbeidskundige toelichting nu wel toereikend was en dat betrokkene de functies kon verrichten. De Raad stelde echter vast dat de rechtbank het beroep onrechtmatig buiten zitting had afgedaan, waardoor de uitspraak niet rechtsgeldig tot stand was gekomen.
De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak en vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.