Appellante was sinds december 2001 werkzaam als vestigingsmanager bij een werkgever die in financiële problemen kwam. Zij nam per 1 februari 2004 ontslag en trad in dienst bij een ander bedrijf. Appellante vroeg op 4 augustus 2005 bij het UWV overneming van de betalingsverplichtingen van haar voormalige werkgever wegens betalingsonmacht, maar dit werd afgewezen omdat de werkgever pas in april 2005 in financiële problemen kwam en er geen verband was met het ontslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij bijna acht maanden had gewacht voordat zij haar vorderingen geldend maakte, wat niet als voldoende voortvarend kan worden gezien. Ook was er geen duidelijke samenhang tussen het ontslag en de betalingsonmacht van de werkgever.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling en benadrukte dat het niet tijdig geldend maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg was van betalingsonmacht. Appellante had op een eerder moment actie moeten ondernemen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitspraak
06/7001 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2006, 06/1361 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 januari 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een vraag van de Raad beantwoord en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellante was sinds 1 december 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als vestigingsmanager bij [naam werkgever] (hierna [werkgever]). In verband met financiële problemen en een verschil van inzicht tussen de drie bestuurders van [werkgever], is één van hen per 1 februari 2004 dezelfde werkzaamheden gaan uitoefenen in haar bedrijf [bedrijfsnaam 1], handelend onder de naam [bedrijfsnaam 2] Bij brief van 30 januari 2004 heeft appellante aan [werkgever] medegedeeld dat zij, samen met de kraamverzorgenden van haar vestiging, per 1 februari 2004 in dienst zou treden bij [bedrijfsnaam 2] en dat zij ontslag op staande voet neemt. [werkgever] heeft daarop in kort geding, onder verwijzing naar het in de arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding, van appellante stopzetting van de werkzaamheden gevorderd, welke vordering door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht bij vonnis van
16 februari 2004 is toegewezen. In de bodemprocedure heeft [werkgever] onder meer verzocht om appellante te veroordelen tot betaling aan [werkgever] van de door overtreding van het voor haar geldende non-concurrentiebeding verbeurde boetes vanaf de dag van de dagvaarding, alsmede tot betaling van een schadevergoeding. In reconventie heeft appellante op 29 september 2004 uitbetaling van achterstallig salaris, winstdeling en vergoedingen gevorderd. Op 27 april 2005 is aan [werkgever] voorlopige surséance van betaling verleend, welke is gevolgd door faillietverklaring per 29 april 2005.
2.2. Vervolgens heeft appellante op 4 augustus 2005 bij het Uwv een aanvraag ingediend om overneming van de betalingsverplichtingen van [werkgever] wegens betalingsonmacht van deze werkgever. Bij besluit van 6 september 2005 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat [werkgever] pas op 27 april 2005 in financiële problemen is gekomen en dat er geen verband bestaat tussen deze problemen en het ontslag van appellante. Bij besluit van 7 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat de dienstbetrekking van appellante met [werkgever] ingaande 1 februari 2004 is geëindigd. Voorts heeft het Uwv gesteld dat artikel 62, aanhef en onder b, van de WW toepassing mist omdat niet kan worden gesteld dat de rechten van betrokkene niet geldend gemaakt konden worden uitsluitend wegens betalingsonmacht van de werkgever, omdat het bedrijf nog tot 29 april 2005 is voortgezet en niet kan worden uitgesloten dat de werkgever bij een tijdige en gerichte actie alsnog tot betaling was overgegaan. Het beroep van appellante op artikel 62, aanhef en onder a, van de WW kan volgens het Uwv evenmin slagen omdat de vereiste duidelijke samenhang tussen het ontslag en de toestand dat de werkgever heeft opgehouden te betalen niet aanwezig wordt geacht.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Op basis van de gedingstukken is de rechtbank ervan uitgegaan dat de aanvraag om overneming ziet op de betalingsverplichtingen van [werkgever] tot 1 februari 2004, zodat ook de beëindiging van het dienstverband per die datum wordt aangenomen. Ten aanzien van het beroep van appellante op toepassing van artikel 62, aanhef en onder b, van de WW heeft de rechtbank overwogen dat niet valt in te zien waarom appellante niet reeds in februari 2004 heeft getracht haar vorderingen op [werkgever] te gelde te maken. Nu zij hiermee bijna acht maanden heeft gewacht, kan dat niet als een voortvarende actie worden aangemerkt. De omstandigheid dat [werkgever], naar de rechtbank aanneemt, omstreeks januari 2005 in een toestand van blijvende betalingsonmacht is komen te verkeren, komt onder de gegeven omstandigheid voor risico van appellante, nu niet kan worden gesteld dat het feit dat [werkgever] niet heeft betaald uitsluitend is te wijten aan deze betalingsonmacht. Evenmin heeft de rechtbank de stelling van appellante gevolgd dat artikel 62, aanhef en onder a, van de WW van toepassing is. Van een duidelijke samenhang tussen het ontslag van de vestigingsmanagers op 1 februari 2004 en de toestand van blijvende betalingsonmacht van [werkgever] is de rechtbank niet gebleken. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de achtergebleven werknemers van [werkgever] hun salaris nog circa een jaar na het vertrek van de vestigingsmanagers hebben ontvangen.
4. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Onder herhaling van de standpunten die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, heeft zij gesteld dat een eerdere actie van haar geen realiteitswaarde zou hebben gehad, gelet op het feit dat [werkgever] met de ontvangst van het vonnis van de voorzieningenrechter van
16 februari 2004 een veel grotere vordering op haar had en zij zich aldus op directe verrekening kon beroepen. De enge uitleg door het Uwv van artikel 62, aanhef en onder b, van de WW, inhoudende dat actie verwacht mag worden van de werknemer die als volstrekt zinloos bestempeld moet worden, is volgens appellante niet gerechtvaardigd.
5.1. Ter beantwoording staat de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
5.2. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat artikel 62, aanhef en onder a, van de WW op haar van toepassing is, heeft zij in hoger beroep geen nadere onderbouwing gegeven en is volstaan met een verwijzing naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Hetgeen dienaangaande door de rechtbank is overwogen, wordt door de Raad onderschreven.
5.3. Ten aanzien van het beroep van appellante op toepassing van artikel 62, aanhef en onder b, van de WW overweegt de Raad het volgende. Naar de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 5 maart 2003, LJN AF5823; USZ 2003, 127, is voor de toepassing van genoemd artikel van beslissende betekenis of aangenomen moet worden dat bij voldoende voortvarende en gerichte actie van de werknemer de werkgever diens vordering reeds zou hebben voldaan indien deze niet in de toestand van blijvende betalingsonmacht zou zijn geraakt. Is van een dergelijke voortvarende en gerichte actie geen sprake geweest, dan ligt de conclusie in de rede dat het niet geldend kunnen maken van de vordering niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht en mist voormeld artikel toepassing. Daarbij is zowel van belang wat de werknemer heeft ondernomen om tot vaststelling van zijn aanspraak jegens de werkgever te komen als hetgeen hij vervolgens heeft gedaan om die aanspraak geldend te maken.
5.4. Op basis van de gedingstukken gaat ook de Raad er van uit dat de dienstbetrekking tussen appellante en [werkgever] per 1 februari 2004 is geëindigd. Mitsdien stonden de loonaanspraken van appellante op genoemde datum reeds vast. Nu appellante eerst na ongeveer acht maanden bij eis in reconventie van 29 september 2004 haar vordering op [werkgever] naar voren heeft gebracht, is de Raad met het Uwv van oordeel dat niet kan worden gesproken van een voldoende voortvarende en gerichte actie. Van haar had mogen worden verwacht dat zij op een veel eerder moment haar aanspraak jegens [werkgever] geldend had gemaakt. In het feit dat [werkgever] eerst op 29 april 2005 in staat van faillissement is verklaard en loonbetaling aan de werknemers die na 1 februari 2004 in dienst bij [werkgever] zijn gebleven nog gedurende ongeveer een jaar na laatstgenoemde datum heeft plaatsgevonden, ziet de Raad voldoende steun voor het oordeel dat het niet geldend kunnen maken van de vordering door appellante niet uitsluitend het gevolg is van betalingsonmacht van de werkgever. Het standpunt van appellante dat een eerdere actie jegens [werkgever] geen realiteitswaarde zou hebben gehad, wat hiervan overigens zij, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.