ECLI:NL:CRVB:2008:BC5174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand sinds 1996 en werd door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op grond van vermoedens van gezamenlijke huishouding met [B.] vanaf 2003 gekort en teruggevorderd. Na onderzoek en diverse procedures stelde de Raad vast dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 25 april 2000 bestond, waardoor intrekking en terugvordering vóór die datum onterecht waren.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 25 april 2000 als gehuwd moest worden beschouwd en daarom geen recht had op bijstand als alleenstaande. Tevens werd vastgesteld dat appellant inkomsten uit arbeid in januari 2000 niet had opgegeven, wat rechtvaardigde dat de bijstand over die periode werd herzien.
Het verzoek tot kwijtschelding van een oude schuld werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden en geen nieuwe omstandigheden had aangevoerd. De Raad veroordeelde het College tot betaling van proceskosten aan appellant en bepaalde dat het College nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: De Raad vernietigt de intrekking en terugvordering van bijstand vóór 25 april 2000 en bevestigt de besluiten over latere perioden.