ECLI:NL:CRVB:2008:BC5187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1766 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens termijnoverschrijding in WWB-zaak

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage in een WWB-zaak. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding bij het indienen van het verzetschrift.

De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en gaat in de dag na verzending van de uitspraak. In deze zaak begon de termijn op 27 juli 2007 en eindigde op 6 september 2007. Het verzetschrift werd echter pas op 11 oktober 2007 ontvangen, ruim na de termijn.

Appellante voerde aan dat de gemachtigde wegens een overmachtsituatie in Spanje was, maar de Raad achtte dit niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Volgens vaste rechtspraak worden fouten van een gemachtigde toegerekend aan de cliënt. Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A.J. van den Hurk, in aanwezigheid van griffier W. Altenaar, op 5 februari 2008.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn zonder verschoonbare redenen.

Uitspraak

07/1766 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 13 maart 2007, 06/3415 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage (hierna: College)
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 17 juli 2007 heeft de Raad het door mr. J.M. Linares Faudino, advocaat te ’s-Gravenhage namens appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. Linares Fandino tegen voornoemde uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 januari 2008, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge de, op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de uitspraak door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een verzetschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een verzetschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzetschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzet van appellant overweegt de Raad het volgende.
De uitspraak van de Raad is op 26 juli 2007 verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift in dit geval aanving op 27 juli 2007 en eindigde op 6 september 2007. Het verzetschrift is op 11 oktober 2007 ter griffie van de Raad ontvangen. Vaststaat dan ook dat voormelde termijn is overschreden.
De in het verzetschrift gemelde omstandigheid dat de gemachtigde van appellante van begin augustus 2007 tot begin oktober 2007 in Spanje verbleef in verband met de toestand waarin diens vader verkeerde na een hartinfarct, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
Van een professionele rechtshulpverlener mag immers worden verwacht dat hij de belangen van zijn cli?nten adequaat behartigt door - ter sauvering van de termijn - zelf een voorlopig verzetschrift in te dienen of bij diens afwezigheid een ander persoon te vragen dit voor hem te doen. Dat de gemachtigde van appellante daartoe niet in staat is geweest en in een overmachtsituatie verkeerde is voor de Raad niet aannemelijk gemaakt.
De Raad wijst er verder op dat volgens vaste rechtspraak fouten of nalatigheden van een gemachtigde worden toegerekend aan degene die de gemachtigde heeft gevraagd zijn of haar belangen te behartigen. Er zijn dus geen redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2008.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) W. Altenaar.
AR