ECLI:NL:CRVB:2008:BC5296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3610 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging indeling arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% op grond van WAO

Appellant stelde beroep in tegen de beslissing van het UWV waarbij werd vastgesteld dat hij op 30 september 2004 arbeidsongeschikt was in de mate van 25 tot 35%. De rechtbank Haarlem had dit beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het onderzoek heropend vanwege onvolledigheden en aanvullende medische en arbeidskundige rapportages opgevraagd.

De Raad onderschrijft de medische beoordeling dat appellant vanwege forse beperkingen niet meer geschikt was voor zijn oude beroep, maar wel in staat was om andere functies te vervullen. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was zorgvuldig opgesteld en er was geen reden voor een urenbeperking. Hoewel de psychische klachten van appellant na de datum in geding zijn toegenomen, kan dit niet worden meegewogen.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de Raad het begrip 'bijzondere belasting' nader onderzocht en concludeert dat de motivering van het UWV toereikend is. De aangevoerde grieven van appellant bieden geen aanleiding het oordeel over de geschiktheid voor de geselecteerde functies te wijzigen. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het beroep van appellant af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Uitspraak

06/3610 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 mei 2006, 05/3988 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 22 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, terwijl het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Vervolgens heeft de Raad bij brief van 19 april 2007 nadere vragen gesteld, waarop het Uwv door het insturen van een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes van 9 mei 2007 heeft gereageerd. Nadat appellant’s gemachtigde hierop een reactie had ingestuurd, waarop door bezwaararbeidsdeskundige Neefjes en de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst is gereageerd, heeft de Raad bij brief van 16 augustus 2007 andermaal vragen gesteld aan het Uwv. Hierop heeft
mr. E.J.S. van Daatselaar, senior beleidsmedewerker/ jurist, op 6 november 2007 uitgebreid is geantwoord.
Een tweede onderzoek ter zitting heeft, ten dele gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 23 november 2007. Namens appellant is wederom verschenen zijn gemachtigde mr. Raaijmakers. Voor het Uwv zijn verschenen mr. Van Daatselaar voornoemd, H.A.M. Hulshof, senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts/ beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidsdeskundige-analist.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Het gaat in dit geding om de vraag of in rechte stand kan houden de aangevallen uitspraak waarbij ongegrond is verklaard het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 12 juli 2005, waarbij aan hem is medegedeeld dat hij met ingang van 30 september 2004 blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
In hoger beroep heeft appellant’s gemachtigde de in bezwaar en beroep reeds naar voren gebrachte medische en arbeidskundige grieven, in hoofdlijnen, deels in andere bewoordingen, herhaald.
Voor wat betreft de medische kant van de schatting onderschrijft de Raad, onder meer onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsartsen A.M.M. Moons en R.M. Hulst van respectievelijk 7 oktober 2005 en 30 augustus 2006, het oordeel van de rechtbank dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellant op de datum in geding, gelet op zijn (forse) medische beperkingen, weliswaar niet meer geschikt was voor zijn oude beroep van anjerplukker gedurende 38 uur per week, maar dat hij wel in staat was de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. De beperkingen van appellant zijn op zorgvuldige wijze vastgesteld en op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verwoord, en er bestaat geen reden voor het aannemen van een urenbeperking.
Uit de zijdens appellant in hoger beroep nog overgelegde informatie van De Geestgronden: de brief van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige G.G. Lanning van 7 juli 2005 en haar brief van 9 november 2005 die ‘voor akkoord’ is mede-ondertekend door de psychiater J.M. Bakker, volgt dat er sedert medio 2005 sprake is van een toename van appellant’s psychische klachten, waarvoor ook een duidelijke oorzaak wordt genoemd, en die daarna nog zijn verergerd. Hieraan zijn door het Uwv ook consequenties verbonden, in die zin dat appellant vanaf medio 2005 - wederom - volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden.
De Raad onderstreept dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 30 september 2004. Met de verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand ten tijde van de datum in geding, maar daarvan is, zoals hiervoor reeds is verwoord, niet gebleken.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad het volgende.
Bij de behandeling van de zaak ter zitting van de Raad op 17 februari 2007 zijn vragen gerezen omtrent de betekenis van het begrip ‘bijzondere belasting’ op de formulieren Resultaat Functiebeoordeling. Zoals aangegeven in rubriek I is in verband daarmee het onderzoek heropend en zijn nadere vragen gesteld aan het Uwv.
Voor zijn oordeel inzake de hantering van het begrip ‘bijzondere belasting’ verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen hij ter zake heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 februari 2008, LJN BC3237.
In de namens appellant in hoger beroep aangevoerde grieven heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant in het licht van de voor hem - naar uit het voorgaande bleek: juist - vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd op de in de bezwaarfase aangepaste FML van 3 mei 2005, niet in staat zou zijn de werkzaamheden verbonden aan de geselecteerde functies te verrichten.
Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 12 oktober 2006, o.a. LJN AY9971, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de noodzakelijk geachte toelichting op de passendheid van de functies, ook op de aspecten die op de formulieren Resultaat Functiebeoordeling van een markering ‘G’ zijn voorzien. Met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen F.M.A. Havermans en C.T.J. Neefjes van respectievelijk 12 oktober 2005 en 22 maart 2006 steunt de schatting naar het oordeel van de Raad ook voor wat betreft het arbeidskundig deel op een als toereikend te kwalificeren motivering.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) S. Sweep.
JL