ECLI:NL:CRVB:2008:BC5299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder nieuwe feiten
Appellante ontving sinds 1994 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde op basis van een onderzoek vast dat appellante vanaf 1996 een gezamenlijke huishouding voerde met een derde, wat leidde tot een herziening van haar uitkering vanaf 1998 tot 30% van het minimumloon.
Appellante betwistte dit besluit en voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verwierpen haar beroep, waarbij werd vastgesteld dat haar verzoek om herziening in 2003 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die een terugkomen op het eerdere besluit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat de Svb bevoegd was het verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook de terugvordering van te veel betaalde uitkering werd gegrond verklaard, waarbij de Raad geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zag ondanks de verstreken termijn van twee jaar tussen herziening en terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.