AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder nieuwe feiten
Appellante ontving sinds 1994 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde op basis van een onderzoek vast dat appellante vanaf 1996 een gezamenlijke huishouding voerde met een derde, wat leidde tot een herziening van haar uitkering vanaf 1998 tot 30% van het minimumloon.
Appellante betwistte dit besluit en voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verwierpen haar beroep, waarbij werd vastgesteld dat haar verzoek om herziening in 2003 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatte die een terugkomen op het eerdere besluit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat de Svb bevoegd was het verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook de terugvordering van te veel betaalde uitkering werd gegrond verklaard, waarbij de Raad geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zag ondanks de verstreken termijn van twee jaar tussen herziening en terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van appellante af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af.
Uitspraak
05/4064 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 juni 2005, 04/115 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 7 februari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Appellante is - met bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 1 november 1994 een pensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante zou samenwonen met [K.] (hierna: [K.]) heeft de sociale recherche van de Svb, in samenwerking met het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Oost-Groningen, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte nabestaandenuitkering. De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 17 mei 2001 het recht op nabestaandenuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1998 te herzien en vast te stellen op 30% van het minimumloon. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante op 1 juli 1996 en op 31 december 1997 in haar woning een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [K.].
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 mei 2001 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 september 2003 (02/666) is het beroep van appellante tegen het besluit van 4 juni 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak bij de Raad hoger beroep ingesteld. In zijn uitspraak van 30 augustus 2005 (03/4637 ANW) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante heeft tegen deze uitspraak geen beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld.
Op 23 januari 2003 had appellante inmiddels de Svb verzocht haar nabestaandenuitkering te herzien omdat zij geen gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd. Bij besluit van 8 mei 2003 heeft de Svb dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij besluit van 8 mei 2003 heeft de Svb de over de periode 1998 tot en met april 2001 de aan appellante te veel betaalde nabestaandenuitkering tot een bedrag van € 21.076,06 van haar teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat uit bij de belastingdienst ingewonnen informatie is gebleken dat appellante over voldoende middelen beschikt om de totale vordering in één keer terug te betalen. Tot slot is verzocht het bedrag binnen zes weken aan de Svb over te maken.
Bij besluit van 4 februari 2004 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 8 mei 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De grief van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat haar brief van 23 januari 2003 een nieuwe aanvraag is, kan niet slagen. Op grond van de vaststelling dat appellante op respectievelijk 1 juli 1996 en 31 december 1997 een gezamenlijke huishouding voerde, heeft de Svb bij besluit van 17 mei 2001 bepaald dat appellante met ingang van 1 januari 1998 recht heeft op een nabestaandenuitkering ter hoogte van 30% van het minimumloon. Naar zijn juridische strekking beoordeeld is het verzoek van appellante van 23 januari 2003 een verzoek aan de Svb om terug te komen van het besluit van 17 mei 2001.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 vanPro de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij het verzoek van appellante van 23 januari 2003 heeft zij - evenals in beroep en hoger beroep tegen het besluit van 4 juni 2002 - aangevoerd dat zij geen gezamenlijke huishouding met [K.] heeft gevoerd. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. De Svb was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het - met de uitspraak van de Raad van 30 augustus 2005 rechtens onaantastbaar geworden - besluit van 17 mei 2001.
Ook de grief dat de terugvordering geen stand kan houden omdat er te veel tijd is verstreken tussen de herziening en de terugvordering slaagt niet. In het enkele feit dat tussen deze besluiten een termijn van twee jaar is verstreken, ziet de Raad - anders dan appellante - geen strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. In dit verband wijst de Raad
erop dat in de ANW geen - aan het beginsel van rechtszekerheid uitdrukking gevende -regeling is opgenomen over de verjaring van het recht op terugvordering van te veel betaalde uitkering. De Raad heeft, onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid in zijn uitspraken van 28 maart 2007 (LJN: BA2284 en BA2491) voor de verjaringstermijn aansluiting gezocht bij artikel 3:309 vanPro het Burgerlijk Wetboek waarin een termijn van vijf jaren is opgenomen. Van een zodanige verjaring is in het onderhavige geval geen sprake.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2008.