ECLI:NL:CRVB:2008:BC5661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- L.F.M. Verhey
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandsnorm alleenstaande versus alleenstaande ouder bij verblijf kind in buitenland
Appellant heeft bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij maakte bezwaar tegen deze norm omdat hij stelde dat hij als alleenstaande ouder moest worden aangemerkt vanwege de zorg voor zijn minderjarige dochter.
De Raad stelde vast dat de dochter ten tijde van het geschil bij haar moeder in Thailand woonde en door haar werd verzorgd. Volgens artikel 4 van Pro de WWB geldt dat alleenstaande ouders de volledige zorg voor een kind moeten hebben en dat het kind in Nederland moet wonen om voor de norm als alleenstaande ouder in aanmerking te komen.
De Raad oordeelde dat appellant niet als alleenstaande ouder kon worden aangemerkt omdat hij niet de feitelijke zorg voor zijn dochter had en zij niet in Nederland woonde. Zijn onderhoudsplicht en financiële bijdrage waren onvoldoende om de norm te wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstandsnorm voor alleenstaanden bevestigd.