ECLI:NL:CRVB:2008:BC5815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkering en dagloon bij herziening arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen twee besluiten van het UWV waarin zijn WAO-uitkering werd herzien van een arbeidsongeschiktheid van 25-35% naar 80-100% en het dagloon werd vastgesteld op €114,19. Hij voerde aan dat de verkorte wachttijd van vier weken volgens artikel 39a WAO toegepast had moeten worden en dat het dagloon onjuist was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat artikel 39a WAO alleen ziet op een toename van medische beperkingen, terwijl in deze zaak de herziening gebaseerd was op arbeidskundige overwegingen omdat er geen passende functies voor appellant waren. De verzekeringsgeneeskundige rapportage bevestigde dat er geen toename van medische beperkingen was.
Verder oordeelt de Raad dat het UWV het maatmaninkomen en dagloon correct heeft berekend en dat toepassing van artikel 40, eerste lid, WAO niet tot een hoger dagloon leidt. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.