ECLI:NL:CRVB:2008:BC5866

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1227 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na bedrijfsongeval en medische beoordeling

Appellante raakte op 6 februari 2003 arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval waarbij haar rechterarm gekneusd werd en liep later een brandwond op haar rechterhandrug op. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was voor lichte werkzaamheden en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, waardoor geen WAO-uitkering werd toegekend.

Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zij ernstiger beperkt was door pijnklachten en fysieke beperkingen. De rechtbank raadpleegde een neuroloog die geen objectieve afwijkingen vond en de medische beoordeling van het UWV onderschreef. De Centrale Raad van Beroep vond geen reden om aan de juistheid van de medische grondslag te twijfelen en bevestigde het besluit.

De Raad benadrukte dat de door het UWV gehanteerde functies passend waren bij de belastbaarheid van appellante en dat ook de behandelend neuroloog een discrepantie had vastgesteld tussen subjectieve klachten en objectieve bevindingen. Appellante bracht geen nieuwe medische verklaringen in hoger beroep die het oordeel konden wijzigen.

Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd, waarmee de weigering van de WAO-uitkering definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellante geen WAO-uitkering krijgt wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/1227 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006, 04/999 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Gerards, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij schrijven van 19 november 2007 nog een stuk in geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 6 februari 2003 als gevolg van een bedrijfsongeval, waarbij haar rechter- arm gekneusd is geraakt, uitgevallen voor haar werkzaamheden als kussensnijdster, naaister en schoonmaakster. Appellante heeft daarnaast op 17 september 2003 een brandwond op haar rechterhandrug opgelopen.
De voor het Uwv werkzame verzekeringsarts concludeerde na eigen onderzoek, dossieronderzoek en raadpleging van de behandelend neuroloog dr. J.J.W. Prick dat appellante belastbaar te achten was voor arbeid. Appellante is, zo stelde de verzekeringsarts, aangewezen op niet te zwaar rechterhand- en armbelastende werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante vastgelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) van 8 december 2003. Nagekomen medische informatie heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de belastbaarheid van appellante.
De voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige stelde in zijn rapportage van 12 januari 2004 vast dat er na functieduiding een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 14,14%. Het Uwv heeft appellante daarop bij besluit van 12 januari 2004 medegedeeld dat haar na ommekomst van de wachttijd op 4 februari 2004 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend omdat zij in aansluiting op deze periode minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Appellante is onder verwijzing naar verscheidene medische verklaringen in bezwaar gekomen van dat besluit.
Naar aanleiding van dat bezwaar heeft het Uwv de maatman aangepast en is een nieuwe berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gedaan. Weliswaar is daarbij een aantal andere functies gehanteerd, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef ongewijzigd.
Het Uwv heeft daarop bij besluit op bezwaar van 9 september 2004, hierna: het bestreden besluit, zijn primair besluit van 12 januari 2004 gehandhaafd.
Appellante is onder verwijzing naar informatie van de curatieve sector in beroep gekomen van het bestreden besluit.
De rechtbank heeft aanleiding gezien neuroloog J.B.M. Ten Holter te raadplegen voor een deskundigenonderzoek. Ten Holter heeft geen objectieve neurologische en niet-neurologische afwijkingen kunnen vaststellen en constateerde dat er een duidelijke discrepantie en inconsistentie bestond tussen de gegevens van het lichamelijk onderzoek en de pijnbelevingen of beperkingen van appellante. Naar de mening van Ten Holter was er sprake was van post traumatische pijnklachten zonder objectieve beperkingen, waardoor er geringe beperkingen van de armfunctie verwacht mochten worden. De deskundige heeft zich kunnen vinden in de belastbaarheid zoals omschreven in de FML en in de voorgehouden functies.
De rechtbank heeft de door haar geraadpleegde deskundige gevolgd in zijn oordeel en heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige en betwist de juistheid van de aangevallen uitspraak. Appellante heeft gesteld meer beperkt te zijn ten aanzien van de kracht in haar arm en elleboog en stelde verder ernstiger beperkt te zijn als gevolg van pijnklachten in haar rechterarm, schouderklachten en pijn onder de oksel. Appellante heeft verder opgemerkt een verdikking te hebben onder de oksel. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat de geduide functies niet berekend zijn voor haar belastbaarheid.
Het Uwv heeft bij schrijven van 19 november 2007, onder verwijzing naar een arbeidskundige rapportage van 16 november 2007, een nadere toelichting gegeven op de schatting.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad merkt in dit verband op dat de door de rechtbank geraadpleegde neuroloog zich heeft kunnen vinden in het verzekeringsgeneeskundige oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen en dat hij de belastbaarheid van appellante zoals vastgesteld door de verzekeringsarts in de FML van 8 december 2003 heeft onderschreven. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de visie van de geraadpleegde neuroloog. De Raad merkt op dat ook de behandelend neuroloog Prick blijkens zijn verklaring van 16 september 2003 bij zijn onderzoek een vrij duidelijke discrepantie tussen anamnese en de meer objectieve bevindingen had vastgesteld. Het door hem verrichte neurologisch onderzoek toonde geen motore uitval, maar wel enige pijninhibitie met daarnaast globale hypaesthesie van de rechterarm zonder anatomische begrenzing. Appellante heeft in hoger beroep geen medische verklaringen in geding gebracht die een ander licht werpen op haar beperkingen.
De Raad is tot slot niet gebleken dat de geduide functies niet berekend zouden zijn voor de belastbaarheid van appellante.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2008.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M. Lochs.
HS