ECLI:NL:CRVB:2008:BC5882
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 6 mei 2003 door het UWV, omdat zij meende dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld. De rechtbank Amsterdam had het beroep ongegrond verklaard en het UWV had de medische beperkingen opnieuw onderzocht en aangepast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De Raad overwoog dat de bezwaararbeidsdeskundigen van het UWV voldoende hadden gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de functies waarop het besluit was gebaseerd. De medische stukken van behandelende neurologen en psychologen waren betrokken bij het onderzoek. De klachten van appellante, waaronder geheugenproblemen, mictieproblemen en lage bloeddruk, konden niet leiden tot een ander oordeel.
Appellante was niet verschenen bij de zittingen, en haar aanvullende stukken konden niet overtuigen dat zij op de datum van intrekking volledig arbeidsongeschikt was. De Raad vond geen aanleiding om de rapporten van de UWV-artsen te verwerpen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 6 mei 2003 wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.