ECLI:NL:CRVB:2008:BC6887

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1873 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 55-65% arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, oorspronkelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, te herzien naar 55-65% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Rotterdam vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV haar klachten onderschatte en dat het gebruikte beoordelingssysteem CBBS onvoldoende transparant was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de medische grieven van appellante voldoende had gemotiveerd en dat de bezwaren tegen het CBBS-systeem niet slaagden. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin het CBBS-systeem als voldoende inzichtelijk en toetsbaar werd beoordeeld. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad achtte geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 maart 2008.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 55-65% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt verworpen.

Uitspraak

06/1873 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2006, 05/2501 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.D. Kramer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 17 december 2004 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 18 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
Bij besluit van 13 mei 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 17 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven beperkingen van appellante voor onjuist te houden. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies was de rechtbank evenwel van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen omtrent inzichtelijkheid, verifieerbaar en toetsbaarheid. Omdat daaraan eerst in beroep is voldaan, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank appellantes verzoek om schadevergoeding afgewezen en het Uwv veroordeeld het griffierecht en de proceskosten aan appellante te vergoeden.
In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv de ernst van haar lichamelijke klachten heeft onderschat.
Tevens heeft appellante aangevoerd dat het Uwv de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten onrechte heeft uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Zij acht dit systeem ook na de door het Uwv aangebrachte aanpassingen per 1 juli 2005 nog steeds onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar. In dit kader verwijst appellante naar een uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006 (LJN: AU9709).
Hetgeen appellante omtrent de ernst van haar klachten in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze niet nader onderbouwde grieven van medische aard afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom zij niet kunnen slagen.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.
Het beroep van appellante op de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006 slaagt niet, zulks gelet op de met betrekking tot die materie nadien door de Raad gedane zogeheten CBBS-2 uitspraken van 12 oktober 2006 (onder andere weergegeven in LJN: AY9971), waarnaar de Raad zich hier verwijzing veroorlooft.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL