ECLI:NL:CRVB:2008:BC7471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1865 MPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning militair invaliditeitspensioen van 30% na uitzending Sinaï

Appellant, geboren in 1956 in Bangladesh, heeft vanwege politieke vervolging asiel gekregen in Nederland en heeft als militair deelgenomen aan een vredesmissie in de Sinaï-woestijn van juli 1989 tot januari 1990. Hij verzocht in 2004 om een invaliditeitspensioen wegens een posttraumatische stressstoornis (PTSS) die hij meent te hebben opgelopen door zijn uitzending.

De staatssecretaris kende hem een invaliditeitspensioen toe van 30%, vastgesteld per 19 februari 2003. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het militair geneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische conclusies van de psychiater Van Marle werden gevolgd.

In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe gronden aangevoerd die het oordeel zouden kunnen wijzigen, noch objectieve medische gegevens overgelegd. De Raad onderschrijft de rechtbank en bevestigt de mate van invaliditeit van 30%. Tevens is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 13 maart 2008 en bevestigt het eerdere besluit van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een invaliditeitspensioen van 30% en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

07/1865 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 februari 2007, 06/5338 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris),
Datum uitspraak: 13 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2008. Voor appellant is verschenen mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij ACOM/CNV-bond van militairen te Leusden. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP te Heerlen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is [in] 1956 in Bangladesh geboren. Vanwege zijn politieke overtuiging heeft hij aldaar als student anderhalf jaar gevangen gezeten en is hij tijdens zijn gevangenschap ernstig mishandeld. In november 1978 heeft hij in Nederland politiek asiel gevraagd en (uiteindelijk) gekregen. Appellant is als kortverbandvrijwilliger van 14 juli 1989 tot 5 januari 1990 uitgezonden geweest naar de Sinaï-woestijn en ter beschikking gesteld van de Multinational Force and Observers (MFO-vredesmacht). Appellant is op 1 juni 1994 eervol uit de dienst ontslagen.
1.2. Op 18 februari 2004 heeft appellant de staatssecretaris verzocht om hem een militair invaliditeitspensioen toe te kennen. Appellant is van mening dat hij door de uitzending naar de Sinaï-woestijn een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen. Bij besluit van 10 november 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 mei 2006, heeft de staatssecretaris appellant met ingang van 19 februari 2003 een invaliditeitspensioen toegekend berekend naar een mate van invaliditeit van 30%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat - samengevat - niet is gebleken dat het militair geneeskundige onderzoek (MGO) op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft geen aanleiding gevonden om de argumenten en de conclusies van de door de staatssecretaris geraadpleegde psychiater, professor dr. H.J.C. van Marle, niet te volgen.
3. De Raad acht met de rechtbank de mate van invaliditeit van appellant op 19 februari 2003 met een percentage van 30 niet onderschat. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. Namens appellant zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden, temeer niet nu die grieven op geen enkele wijze met objectieve (medische) gegevens worden onderbouwd. De Raad merkt hierbij op dat de onder 2. genoemde psychiater de psychische toestand van appellant als geheel heeft beoordeeld en daarbij geen onderscheid heeft gemaakt naar de ervaringen van appellant in Bangladesh en die in militaire dienst.
4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
BvW
113