ECLI:NL:CRVB:2008:BC8247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant, die een WAO-uitkering ontving op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, meldde zich op 7 oktober 2004 bij het UWV wegens toegenomen pijnklachten aan nek, schouders en armen. Het UWV besloot op 3 november 2004 de uitkering niet te verhogen omdat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet langer dan vier weken zou hebben geduurd. Appellant maakte bezwaar en verwees naar radiologisch onderzoek en medische verklaringen.
Het bezwaar werd deels gegrond verklaard vanwege een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 24 juni 2005, vastgesteld op 65 tot 80%, maar het besluit van 3 november 2004 bleef gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de beperkingen van appellant niet waren toegenomen sinds de eerdere beoordeling van 21 oktober 2003.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en verwees naar medische informatie. De Raad stelde vast dat de toename van arbeidsongeschiktheid niet langer dan vier weken heeft geduurd en onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, dat de medische informatie juist was betrokken. De subjectieve pijnbeleving van appellant was niet doorslaggevend. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering van appellant te verhogen.