ECLI:NL:CRVB:2008:BC8310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd ingetrokken met ingang van 1 december 2004. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond. De rechtbank Arnhem bevestigde dit besluit, stellende dat appellante arbeid kon verrichten binnen haar belastbaarheid, waardoor zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep herhaalde appellante haar grieven. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht aannam dat drie functies binnen haar medische mogelijkheden lagen, en dat de geschiktheid van deze functies voldoende was gemotiveerd in de arbeidskundige rapportages.
De Raad constateerde echter dat het bestreden besluit werd genomen voordat de vereiste onderbouwing was gegeven, wat volgens eerdere uitspraken van de Raad tot vernietiging van het besluit leidt. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter H. Bolt op 1 april 2008.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.