ECLI:NL:CRVB:2008:BC8433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- K.J. Kraan
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim politiebrigadier
Appellant, een politiebrigadier, kreeg op 29 december 2003 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens onvoldoende openheid over zijn relatie met een lid van een criminele familie en onvoldoende terughoudendheid in contacten met deze familie. Een voorwaarde was dat hij contacten die tot belangenverstrengeling konden leiden, aan zijn leidinggevende moest melden.
In 2004 bleek uit onderzoek dat appellant had geprobeerd een medewerker van een verzekeringsmaatschappij te bewegen een onjuiste verklaring af te geven, en dat hij zijn stiefzoon instructies gaf over een te geven verklaring in een politieverhoor. Deze gedragingen leidden tot het besluit van 25 juli 2005 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag, dat na bezwaar werd gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het telefoongesprek van 13 september 2004 niet door hem was gevoerd en dat hij geen instructies had gegeven op 23 november 2004. De Raad liet de werkelijke gang van zaken bij het eerste gesprek in het midden, maar oordeelde dat het tweede gesprek voldoende grond gaf voor tenuitvoerlegging.
De Raad concludeerde dat appellant zijn stiefzoon niet aanspoorde de waarheid te spreken, maar een gedetailleerde verklaring voorschreef om het strafbare feit te bagatelliseren. Appellant had onvoldoende afstand gehouden tot de familie van zijn echtgenote en had nagelaten melding te maken van mogelijke belangenverstrengeling, waarmee het plichtsverzuim de tenuitvoerlegging van het strafontslag rechtvaardigde.
De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim.