ECLI:NL:CRVB:2008:BC8458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7009 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor chiropractische behandelingen wegens ontbreken medische noodzaak

Appellante verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van chiropractische behandelingen in 2004, die niet volledig door haar ziektekostenverzekering werden vergoed. Het College van burgemeester en wethouders van Groningen wees deze aanvraag af op grond van het ontbreken van een medische noodzaak, zoals vastgesteld door een GGD-arts en bevestigd door de huisarts van appellante.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de kosten niet konden worden beschouwd als noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).

De Raad vond het advies van de GGD-arts zorgvuldig en zag geen aanleiding om dit te betwisten. Er was geen medisch objectiveerbare aandoening vastgesteld die de noodzaak van de behandelingen rechtvaardigde. Daarom werd de aanvraag bijzondere bijstand terecht geweigerd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor chiropractische behandelingen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een medisch objectiveerbare aandoening.

Uitspraak

06/7009 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 oktober 2006, 05/965 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft mr. Bakker de Raad nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 maart 2008. Partijen zijn - met bericht van verhindering - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 4 december 2003 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van behandelingen door een chiropractor voor het jaar 2004, die niet geheel door haar ziektekostenverzekering worden vergoed.
Bij besluit van 14 januari 2004 (lees: 2005) heeft het College, na een verkregen medisch advies van de Hulpverleningsdienst Groningen, deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2005 ongegrond verklaard op de grond dat de gevraagde kosten niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juni 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat de aanvraag van appellante betrekking heeft op de kosten van behandelingen door een chiropractor op 5, 6 en 24 augustus 2004 en op 9 september 2004 tot een bedrag van € 226,--.
De Raad ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het College op goede gronden heeft geweigerd bijzondere bijstand te verlenen voor de hiervoor genoemde kosten.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover deze niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de in geding zijnde kosten niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het besluit van het College van 22 juni 2005 berust op het advies van de GGD-arts
T.J. Bosma van 10 december 2004 die, mede op basis van ingewonnen advies bij de huisarts van appellante, tot de conclusie is gekomen dat in het geval van appellante geen sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening zodat de medische noodzaak van de gevraagde kosten niet kan worden vastgesteld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het advies van de GGD-arts voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden de conclusie van het advies voor onjuist te houden.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
IJ