ECLI:NL:CRVB:2008:BC8544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand en terugvordering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving bijstand sinds 1 februari 2000. Het College trok deze bijstand in per 1 februari 2000 en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van vermogen, waaronder een auto die op haar naam stond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel deels.
De Raad oordeelt dat de intrekking en terugvordering voor de periode 1 februari 2000 tot 21 januari 2002 niet deugt, omdat appellante vanaf 2 juni 2000 financiële steun van haar opa ontving en dit niet als vermogen kan worden aangemerkt. Voor de periode 1 november 2000 tot 21 januari 2002 stond een auto op haar naam, wat vermogen vormt waarover zij redelijkerwijs kon beschikken. Appellante slaagde er niet in het tegendeel te bewijzen, waardoor intrekking en terugvordering over deze periode terecht zijn.
De Raad vernietigt het besluit van 16 maart 2006 voor het eerste deel, bevestigt het voor het tweede en beveelt het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Besluit intrekking bijstand en terugvordering deels vernietigd en deels in stand gelaten met opdracht tot nieuw besluit.