ECLI:NL:CRVB:2008:BC9208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1853 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong- en WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem die het UWV in het gelijk stelde bij de weigering van een Wajong-uitkering per 6 september 1988 en een WAO-uitkering per 18 februari 2004. De rechtbank oordeelde dat appellante op beide data onvoldoende arbeidsongeschikt was om aanspraak te maken op deze uitkeringen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en volgt de rechtbank in haar oordeel. De Raad acht de medische gegevens en de schatting van de arbeidsongeschiktheid door het UWV voldoende onderbouwd en sluit zich aan bij de motivering dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd ook in 1988 op de arbeidsmarkt voorkwamen. De Raad verwerpt de grieven van appellante over de CBBS-problematiek en andere aangevoerde omstandigheden.

Ook ten aanzien van de aanspraak per 18 februari 2004 oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht concludeerde dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was. De medische verklaringen die in hoger beroep zijn overgelegd, bieden geen nieuw relevant inzicht. De Raad bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak volledig en ziet geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong- en WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1853 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 maart 2006, 05/4286 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.S. Winkel.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat het Uwv bij besluit op bezwaar van 30 september 2005 terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen, omdat zij per 6 september 1988 (de dag waarop appellante 18 werd) voor minder dan 25% arbeidsongeschikt was in de zin van die wet en eveneens terecht heeft geweigerd appellante per 18 februari 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zij per die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt was in de zin van die wet.
Het hoger beroep van appellante richt zich zowel tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak ter zake van de aanspraak per 6 september 1988, als tegen het onderdeel ter zake van de aanspraak per 18 februari 2004.
Ten aanzien van de aanspraak per 6 september 1988 overweegt de Raad als volgt.
Appellante heeft in hoger beroep primair verwezen naar hetgeen in de procedure bij de rechtbank is aangevoerd. Naar haar opvatting is de rechtbank op basis van de beschikbare medische gegevens ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de beperkingen van appellante per 6 september 1988 juist zijn vastgesteld.
De Raad volgt appellante niet in haar opvatting. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep aanvullend heeft aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat door het Uwv voldoende aannemelijk is gemaakt dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies ook in 1988 op de arbeidsmarkt voorkwamen en dat toetsing aan de op 6 september 1988 geldende criteria niet leidt tot een relevante mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad volgt appellante niet in haar grieven omtrent de zogenoemde CBBS-problematiek. Deze grieven gaan eraan voorbij dat sprake is van een schatting aan de hand van de criteria zoals deze golden in 1988. Dat de functies zijn ontleend aan het CBBS maakt dit niet anders.
Onder de vorengeschetste omstandigheden komt de Raad niet toe aan het door het Uwv in hoger beroep – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2005, 02/2313 AAW en 02/2315 AAW/WAO (LJN: AS8451) – ingenomen standpunt dat, ook indien toetsing plaatsvindt aan het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dit geldt sedert 1 augustus 1993, appellante geen recht op een Wajong-uitkering toekomt.
De Raad komt om dezelfde reden evenmin toe aan hetgeen appellante omtrent de wijziging van haar maatman na afronding van haar studie in 1992 heeft gesteld.
Ten aanzien van de aanspraak per 18 februari 2004 overweegt de Raad als volgt.
In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellante per 18 februari 2004 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd. De in hoger beroep overgelegde medische verklaringen werpen geen nieuw relevant licht op de bij appellante per 18 februari 2004 bestaande beperkingen tot het verrichten van arbeid.
De rechtbank heeft de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voldoende inzichtelijk is gemaakt dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen voor appellante geschikt zijn.
Het hoger beroep van appellante treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM