ECLI:NL:CRVB:2008:BC9211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks geschil over arbeidsongeschiktheid en functiegeschiktheid
Appellant, die sinds december 2000 arbeidsongeschikt is wegens rugklachten en hoofdpijn, verzocht om een WAO-uitkering. Het UWV kende hem vanaf 10 december 2001 een uitkering toe op basis van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en eerdere procedures stelde het UWV in 2005 een nieuw besluit vast dat deze mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd bleef.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde, na overleg met een psycholoog, dat er geen medische indicatie bestond voor een urenreductie. De Raad oordeelde dat het advies van de psycholoog over geleidelijke werkhervatting niet als blijvende beperking kon worden gezien. Appellant bracht geen aanvullende medische gegevens in die zijn standpunt ondersteunden.
Verder stelde de Raad vast dat de geselecteerde functies qua belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Ondanks afwijkingen in het belastbaarheidspatroon waren deze functies geschikt voor appellant. De rechtbank en de Raad vonden het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd te werk zijn gegaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen gronden gevonden voor een proceskostenveroordeling. Appellant was niet verschenen bij de zitting van 27 februari 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het UWV-besluit dat appellant recht heeft op een WAO-uitkering van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid zonder urenreductie.