ECLI:NL:CRVB:2008:BC9232
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Redelijke uitleg van vermogenstoerekening bij WUV-uitkering na verkoop ouderlijke woning
Appellante, als tweede generatie oorlogsslachtoffer, ontving een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Bij een herberekening van haar uitkering werd het vermogen vastgesteld op basis van een erfenis die zij na het overlijden van haar moeder ontving, waaronder een erfdeel uit de verkoop van de ouderlijke woning.
Appellante stelde bezwaar in omdat zij meende dat het erfdeel van haar vader uit de opbrengst van de woning al in 1974 aan haar was toegevallen en dus niet opnieuw als vermogen mocht worden meegeteld. De verweerster verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het erfdeel feitelijk pas na het overlijden van haar moeder aan appellante ter beschikking was gekomen.
De Raad overwoog dat de woning na het overlijden van de vader onverdeeld bleef en dat de moeder tot haar overlijden in de woning bleef wonen. De verkoop en afwikkeling van de erfenis vonden pas daarna plaats. Tevens had appellante in eerdere inkomstenopgaven haar aandeel in de onverdeelde woning niet vermeld, wat de redelijke uitleg van de Wet ondersteunt dat het vermogen pas in 2006 aan haar is toegevallen.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het vermogen uit de verkoop van de woning terecht in mindering is gebracht op de WUV-uitkering. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.