ECLI:NL:CRVB:2008:BC9239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant, voormalig inpakker van aardappels, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering. Het UWV had de uitkering herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van november 2004. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep en stelde dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden had.
De Centrale Raad van Beroep heeft het medische onderzoek van het UWV beoordeeld en concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellant onvoldoende zijn erkend. De Raad onderschrijft de zorgvuldigheid van het onderzoek en de juistheid van de conclusies. Ook de nadere medische en arbeidskundige rapportages ondersteunen de vastgestelde mogelijkheden.
De Raad oordeelt dat de drie geselecteerde functies passend zijn binnen de functionele mogelijkheden van appellant. Hoewel het bestreden besluit juridisch niet kan standhouden wegens onvoldoende motivering in eerste aanleg, blijven de rechtsgevolgen van het besluit volgens artikel 8:72, derde lid, Awb in stand.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor beroep en hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Schoor en leden Rottier en Van de Kerkhof op 1 april 2008.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.