ECLI:NL:CRVB:2008:BC9661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en ongegrondverklaring beroep inzake weigering ziekengeld
Appellant, die een WAO-uitkering ontving, meldde zich ziek per 13 april 2004 wegens darmklachten. Het UWV stelde bij besluit van 23 april 2004 dat appellant niet wegens ziekte ongeschikt was voor de geselecteerde functies en weigerde ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep voerde appellant medische beperkingen aan door darm- en gewrichtsklachten.
De rechtbank had partijen toestemming gevraagd om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, welke toestemming appellant en het UWV verleenden. Echter werden nieuwe rapportages van het UWV niet aan appellant voorgelegd, wat in strijd was met artikel 8:57 Awb Pro. De Raad oordeelde dat de aangevallen uitspraak daardoor niet rechtsgeldig tot stand was gekomen en vernietigde deze zonder terugwijzing.
De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige dr. Rauws, die concludeerde dat er in april 2004 geen sprake was van een actieve darmontsteking die arbeidshandicap veroorzaakte. Ook werden de rug- en gewrichtsklachten niet als belemmerend geacht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd wegens strijd met artikel 8:57 Awb.