ECLI:NL:CRVB:2008:BC9677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Anticumulatie en redelijke termijn bij intrekking WAZ-uitkering zelfstandige fysiotherapeut
Appellant, een fysiotherapeut, ontving een WAZ-uitkering die later door het UWV met terugwerkende kracht werd ingetrokken op grond van artikel 58 van Pro de WAZ, de anticumulatiebepaling. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en beval een nieuwe beslissing op bezwaar. Het UWV handhaafde het besluit, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Raad oordeelt dat het UWV niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door de uitkering met terugwerkende kracht in te trekken, omdat appellant niet tijdig en volledig zijn inkomsten had gemeld. Daarnaast was geen medisch onderzoek vereist na drie jaar toepassing van de anticumulatieregeling, tenzij er aanwijzingen waren voor verslechtering van de medische situatie, wat niet het geval was.
Wel constateert de Raad een overschrijding van de redelijke termijn van ruim zes jaar, waarvan ruim 23 maanden voor rekening van het UWV komen. Dit leidde tot een toekenning van een immateriële schadevergoeding van €1.000,- aan appellant. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, het besluit van 4 augustus 2006 vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk, besluit intrekking WAZ-uitkering vernietigd, rechtsgevolgen blijven, schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.