ECLI:NL:CRVB:2008:BC9798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens juiste vaststelling resterende verdiencapaciteit
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van zijn WAZ-uitkering door het UWV, omdat hij meent dat zijn resterende verdiencapaciteit onjuist is vastgesteld. Het UWV had de uitkering ingetrokken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat appellant in staat was arbeid te verrichten binnen de vastgestelde belastbaarheid. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of het UWV de resterende verdiencapaciteit juist heeft berekend.
De Raad overweegt dat het UWV de verdiencapaciteit heeft bepaald aan de hand van geselecteerde functies met een reductiefactor toegepast op het uurloon, waardoor een theoretische verdiencapaciteit van €7,93 per uur is vastgesteld. Dit leidt tot een loonverlies van 0% ten opzichte van het maatmanloon van €5,31 bruto per uur, wat betekent dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.
De Raad volgt de uitleg van het UWV dat het verschil met eerdere berekeningen wordt veroorzaakt door het vervallen van een functie in de Sbc-code 516180. Er is geen medische noodzaak voor een urenbeperking vastgesteld, waardoor appellant geacht wordt 60 uur per week te kunnen werken.
Op grond hiervan wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering wordt bevestigd omdat de resterende verdiencapaciteit juist is vastgesteld.