ECLI:NL:CRVB:2008:BD0130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen weigering WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een B.V. actief in de ijs- en snackbranche, vroeg een WAZ-uitkering aan vanwege arbeidsongeschiktheid sinds 7 april 2003. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af.
De rechtbank verklaarde het bestreden besluit deels ongegrond wegens onvoldoende arbeidskundige motivering en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen. Het UWV handhaafde echter de afwijzing in een nieuw besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV een te laag maatmaninkomen hanteerde, omdat zijn beloning niet marktconform was en de winst van de B.V. niet werd meegerekend.
De Raad oordeelde dat het loon van appellant, vermeerderd met fiscale bijtelling, als maatmaninkomen geldt tenzij sprake is van een bijzondere omstandigheid, wat hier niet het geval was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en beroep tegen nieuw besluit ongegrond.